Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:5514

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
NL22.26508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vw 2000Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij verlengde beslistermijn asielaanvraag

Eiser diende op 26 december 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 1 juni 2022. Verweerder stelde dat de beslistermijn rechtsgeldig met negen maanden was verlengd op grond van WBV 2022/22, waardoor de termijn tot 1 september 2023 liep. Eiser had verweerder bij brief van 18 november 2022 in gebreke gesteld, maar dit was volgens verweerder prematuur omdat de verlengde termijn nog niet was verstreken.

De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was en dat de ingebrekestelling van eiser te vroeg was ingediend. Hierdoor kon het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk worden verklaard. Tevens had verweerder bij besluit van 31 maart 2023 alsnog op de aanvraag beslist en deze ingewilligd, waardoor het belang bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen was komen te vervallen.

De rechtbank sloot zich niet aan bij de jurisprudentie van de zittingsplaats Amsterdam die de verlenging betwistte, maar volgde de andere zittingsplaatsen die de verlenging erkenden. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken omdat de beslistermijn nog niet was verstreken op het moment van het beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur ingediende ingebrekestelling en rechtsgeldige verlenging van de beslistermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26508

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [v-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 26 december 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag [1] van 1 juni 2022.
Verweerder heeft op 10 januari 2023 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 11 januari 2023 op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 4 april 2023.
Bij besluit van 31 maart 2023 (het besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend.
Op 3 april 2023 heeft eiser gereageerd op het besluit en het beroep gehandhaafd. Eiser heeft daarbij aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.
Bij brief van 3 april 2023 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend en toestemming gegeven aan de rechtbank om zonder zitting uitspraak te doen.
Partijen zijn op 4 april 2023 niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 neemt verweerder binnen zes maanden na ontvangst van een asielaanvraag een besluit. Deze termijn kan op grond van het vierde lid met ten hoogste negen maanden worden verlengd als een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Bij besluit van 21 september 2022 met nummer WBV 2022/22, [3] heeft verweerder de beslistermijn voor asielaanvragen met negen maanden verlengd, voor alle aanvragen waarbij die termijn op 27 september 2022 nog niet was verstreken.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser op 1 juni 2022 een asielaanvraag heeft ingediend. Dit betekent dat de initiële beslistermijn van zes maanden op 1 december 2022 verstreek.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn om een besluit te nemen op de aanvraag van eiser, gelet op de WBV 2022/22, met negen maanden is verlengd. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 1 september 2023 moet beslissen. Eiser heeft verweerder bij brief van 18 november 2022 medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Volgens verweerder is deze ingebrekestelling prematuur ingediend, omdat de beslistermijn op die datum nog niet was verstreken. Verweerder concludeert daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
5. Eiser voert aan dat verweerder de beslistermijn op grond van de WBV 2022/22 niet rechtsgeldig heeft verlengd en verwijst hiervoor naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 6 januari 2023. [4] Dit betekent volgens eiser dat zijn ingebrekestelling niet prematuur is ingediend. De rechtbank moet het beroep daarom ontvankelijk en gegrond verklaren en verweerder opdragen om alsnog op zijn aanvraag te beslissen.
6. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat zich wel de situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat sprake is van een aanzienlijke verhoging van de asielinstroom. De rechtbank volgt zittingsplaats Amsterdam niet in zijn oordeel dat hiervan geen sprake is en sluit aan bij de oordelen van de zittingsplaatsen ’s-Hertogenbosch, Arnhem, Haarlem, Middelburg en Utrecht. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de beslistermijn bij WBV 2022/22 rechtsgeldig met negen maanden verlengd. Dit betekent dat eiser zijn ingebrekestelling te vroeg, voor het verstrijken van de beslistermijn, heeft verstuurd. Op basis van een premature ingebrekestelling kan geen beroep vanwege het niet tijdig beslissen worden ingediend. [6]
7. Bovendien heeft verweerder bij het besluit alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Volgens vaste rechtspraak heeft eiser hierom geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. [7]
8. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Aangezien de beslistermijn op de datum van het instellen van het beroep nog niet was verstreken, bestaat er geen aanleiding verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen.
9. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. [8] Aangezien verweerder bij het besluit inwilligend op de aanvraag van eiser heeft beslist en eiser geen gronden tegen dit besluit heeft aangevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat geheel aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Dit betekent dat het beroep geen betrekking heeft op het alsnog genomen besluit.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
3.Houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, (Stcrt. 2022, nr. 25775).
5.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:12636); uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:14087); uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:2532); uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 21 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3701) en uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 24 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:4223).
6.Niet wordt dan voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).
8.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.