ECLI:NL:RBDHA:2023:5759
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing inreisverbod wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzocht om opheffing van een inreisverbod dat in 2013 voor tien jaar was opgelegd wegens toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Nadat eerdere verzoeken waren afgewezen en in rechte waren bevestigd, stelde eiser dat de veiligheidssituatie in Afghanistan sinds de machtsovername van de Taliban in augustus 2021 was gewijzigd, waardoor terugkeer een risico vormt op schending van artikel 3 EVRM Pro.
Verweerder wees het verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor opheffing, waaronder het vereiste dat hij Nederland en de EU na oplegging van het inreisverbod had verlaten en ten minste vijf jaar buiten Nederland en de EU had verbleven. Tevens werd geoordeeld dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden waren die opheffing rechtvaardigen en dat eiser nog steeds een actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.
De rechtbank bevestigde dat het inreisverbod terecht is gehandhaafd. Het duurzaamheidsvereiste van artikel 3 EVRM Pro was niet vervuld omdat tussen april 2019 en augustus 2021 geen uitzettingsbeletsel bestond en eiser niet had meegewerkt aan terugkeer. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat het algemeen belang prevaleert. De rechtbank oordeelde dat verweerder in de beroepsfase alsnog voldoende had gemotiveerd en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.