ECLI:NL:RBDHA:2024:12186

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2024
Publicatiedatum
5 augustus 2024
Zaaknummer
NL24.29144
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Algerije

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, is sinds 5 mei 2024 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 18 juni 2024, het moment na de eerdere uitspraak die de maatregel tot dan toe rechtmatig achtte. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen en dat het zicht op uitzetting ontbrak, mede omdat een lp-aanvraag zonder persoonlijke presentatie bij de Algerijnse autoriteiten geen effect zou hebben.

De rechtbank oordeelde dat de minister sinds 17 mei 2024 meerdere schriftelijke rappels heeft gedaan en meerdere vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd, wat voldoende voortvarendheid toont. De stelling dat een lp-aanvraag zonder persoonlijke presentatie geen nut heeft, werd niet gevolgd. Er is geen bewijs dat het zicht op uitzetting ontbreekt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29144

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 5 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 juli 2024.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [1] Uit de uitspraak van 25 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 18 juni 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 18 juni 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit informatie van DT&V blijkt dat dat presentaties bij de Algerijnse autoriteiten in persoon moeten plaatsvinden. De schriftelijke aanvraag van een lp [2] kan niet worden gezien als een presentatie in persoon die kan leiden tot afgifte van een lp. De schriftelijke rappels van verweerder hebben in deze zaak dan ook geen waarde. Niet is gebleken dat verweerder met de Algerijnse autoriteiten in gesprek is over een presentatie in persoon of dat er een wachtlijst is voor presentaties in persoon.
5. Dit betoog slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 17 mei 2024 een lp-aanvraag heeft verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Sindsdien heeft verweerder driemaal schriftelijk gerappelleerd, laatstelijk op 10 juli 2024, en drie vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 9 juli 2024. Daarmee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De stelling van eiser dat een lp-aanvraag zonder een daaraan voorafgaande presentatie in persoon geen nut heeft, is niet onderbouwd en wordt niet gevolgd. Een presentatie in persoon kan alsnog plaatsvinden naar aanleiding van de lopende lp-aanvraag. Het is aan de Algerijnse autoriteiten om dit eventueel als voorwaarde te stellen. Er is dan ook niet gebleken dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
6. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraken van 16 mei 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:7717) en 25 juni 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:9971).
2.Laissez-passer.