ECLI:NL:RBDHA:2024:16277
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel van bewaring wegens rechtmatig verblijf en toekenning schadevergoeding
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, was sinds 5 mei 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 30 augustus 2024, omdat eerdere toetsing reeds had plaatsgevonden. Uit het dossier bleek dat eiser op 18 september 2024 een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning (medisch) had ingediend, welke op 19 september 2024 door verweerder werd bevestigd. Hiermee verkreeg eiser rechtmatig verblijf.
De rechtbank oordeelde dat het voortduren van de maatregel van bewaring vanaf 19 september 2024 onrechtmatig was, omdat de wettelijke grondslag ontbrak. Voor de periode tot 19 september 2024 was geen onrechtmatigheid vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 7 oktober 2024 en kende een schadevergoeding toe van €1.900 voor 19 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming.
Daarnaast werden de proceskosten van eiser vastgesteld op €875 en aan verweerder opgelegd. De uitspraak is definitief en openbaar gemaakt op 7 oktober 2024.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de maatregel van bewaring wordt opgeheven per 7 oktober 2024 en een schadevergoeding van €1.900 wordt toegekend.