Eiser, een Tunesische asielzoeker, is door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking en het belang van vaststelling van identiteit en nationaliteit.
Eiser betwist de zware en lichte gronden van de maatregel niet, maar voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan en dat hij niet adequaat is geïnformeerd over zijn rechten, waaronder het recht op rechtsbijstand en schriftelijke informatie over de maatregel.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en dat eiser adequaat is geïnformeerd, mede door inzet van een tolk en uitreiking van een informatiefolder. Wel is vastgesteld dat de schriftelijke informatie niet volledig conform de Opvangrichtlijn is verstrekt, maar dit leidt niet tot onrechtmatigheid van de maatregel.
Daarnaast is vastgesteld dat het detentiecentrum een geschikte locatie is voor de bewaring en dat klachten over het regime binnen het detentiecentrum en het Justitieel Complex Schiphol via andere rechtsgangen behandeld moeten worden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.