Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2024 in de zaken tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Rechtbank Den Haag
Eiseres diende twee aanvragen in voor een individuele inkomenstoeslag, welke door het college van burgemeester en wethouders van Leiden werden afgewezen wegens het ontbreken van een langdurig laag inkomen. De rechtbank beoordeelde de afwijzingen en de daarop volgende bezwaarprocedures.
De rechtbank oordeelde dat het college ten onrechte in de eerste bezwaarprocedure afzag van het horen van eiseres, maar dat dit gebrek niet tot vernietiging van het besluit leidde omdat eiseres in de tweede procedure wel haar standpunten mondeling kon toelichten. Inhoudelijk was de rechtbank van oordeel dat het college terecht uitging van inkomensgegevens uit Suwinet en dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze gegevens onjuist waren.
Verder overwoog de rechtbank dat het feit dat eiseres in een andere gemeente wel een toeslag ontving, niet betekent dat Leiden dezelfde regels moet hanteren. Ook de aangevoerde bijzondere omstandigheden en kosten voor een inwonende zoon waren onvoldoende om af te wijken van de verordening. De beroepen werden ongegrond verklaard, maar eiseres kreeg een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn toegewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de individuele inkomenstoeslagen worden ongegrond verklaard en de weigeringen blijven in stand.