ECLI:NL:RBDHA:2024:17956
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroepen tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublin-overdracht aan Bulgarije
In deze bestuursrechtelijke zaak hebben eisers, Syrische asielzoekers, beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun asielaanvragen niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eisers stelden dat zij in Bulgarije onrechtmatig zijn behandeld, onder meer door gedwongen vingerafdrukken, detentie, pushbacks en slechte opvangomstandigheden, en verwezen naar het AIDA-rapport april 2024 en eerdere jurisprudentie. Zij betoogden dat de overdracht aan Bulgarije in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest en dat de minister een zorgvuldige belangenafweging had moeten maken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro.
De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, en de minister heeft de besluiten zorgvuldig en gemotiveerd genomen. De beroepen zijn daarom kennelijk ongegrond en de verzoeken om voorlopige voorzieningen niet-ontvankelijk.
De rechtbank wees ook op het ontbreken van individuele onderbouwing en dat eisers zich bij problemen tot Bulgaarse autoriteiten hadden kunnen wenden. De minister hoefde de asielaanvragen niet aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer zonder zitting.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden kennelijk ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.