ECLI:NL:RBDHA:2025:11119

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
25 juni 2025
Zaaknummer
NL25.10831
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 16 DublinverordeningArtikel 17 DublinverordeningArtikel 18, eerste lid, onder b, DublinverordeningRichtlijn 2003/9/EGArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Bulgarije

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser meerderjarig is, ondanks zijn stelling dat hij minderjarig zou zijn. Dit is gebaseerd op leeftijdsschouwen door de AVIM en IND en registratie in het Bulgaarse claimakkoord. Het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel faalt omdat de minister zich op recente jurisprudentie kan beroepen die bevestigt dat Bulgarije nog steeds aan de vereisten voldoet.

Eiser stelde ook dat zijn overdracht aan Bulgarije indirect risico op refoulement oplevert, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet onderzocht hoeft te worden bij afwezigheid van systeemfouten in Bulgarije. Verder is artikel 16 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing vanwege het ontbreken van een relevante afhankelijkheidsrelatie. Ook het beroep op artikel 17 faalt Pro omdat de minister zijn discretionaire bevoegdheid terecht niet heeft gebruikt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 13 januari 2025 aanvaard op de grond dat in Bulgarije een asielverzoek in behandeling is. [2]
Is eisers meerderjarige leeftijd juist vastgesteld?
5. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007 en dus dat hij minderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. De AVIM en de IND hebben volgens eiser ten onrechte vastgesteld dat hij meerderjarig is. Dat in het claimakkoord van Bulgarije eiser als meerderjarig staat geregistreerd is volgens eiser onvoldoende om uit te gaan van zijn meerderjarigheid, omdat in het akkoord verschillende geboortedatums worden genoemd. Eiser heeft tijdens het aanmeldgehoor AMV aangegeven dat de Bulgaarse autoriteiten een fictieve geboortedatum hebben vastgesteld. [3] Hierdoor kan het onderzoek in Bulgarije niet als zorgvuldig worden beschouwd. Eiser heeft één dag voor de zitting een kopie van het uittreksel uit het Syrische bevolkingsregister, vertaald door een niet-beëdigde vertaler, overgelegd waarin zijn geboortedatum van [geboortedatum 1] 2007 wordt bevestigd. Gelet op het voorgaande had de minister meer onderzoek moeten doen naar eisers leeftijd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de minister tot de conclusie mocht komen dat eisers leeftijd voldoende is vastgesteld. Tijdens de twee afzonderlijke leeftijdsschouwen van de AVIM [4] en de IND [5] is door beide instanties geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. Daarnaast is eiser in het claimakkoord van Bulgarije geregistreerd als meerderjarige. De registratie in het Bulgaarse systeem leidt niet – zoals eiser stelt – tot twijfel, omdat de twee verschillende datums in het claimakkoord ([geboortedatum 2] 2006 zijnde de geboortedatum die de Nederlandse autoriteiten aanhouden en [geboortedatum 1] 2006 zijnde de geboortedatum die de Bulgaarse autoriteiten aanhouden) alsnog wijzen op meerderjarigheid van eiser. Nu uit zowel de twee leeftijdsschouwen en het claimakkoord volgt dat eiser (evident) meerderjarig is, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om nadere inlichtingen in te winnen bij de Bulgaarse autoriteiten. Het betoog van eiser op de zitting dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten naar het uittreksel uit het Syrische bevolkingsregister, heeft de minister niet hoeven volgen. De minister heeft zich hierover op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat hij dit document niet kan (laten) onderzoeken, omdat Bureau Documenten de taal waarin het document is opgesteld niet machtig is en er geen vertaling door een beëdigd vertaler bij het document is gevoegd. Het document kan daarom op dit moment niet afdoen aan het oordeel dat de minister mag uitgaan van eisers meerderjarigheid.
Eisers eigen verklaring dat hij minderjarig is maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft namelijk onvoldoende uitleg gegeven voor zijn afwijkende verklaringen. De enkele verklaring van eiser dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2007 en daarmee minderjarig ten tijde van zijn asielaanvraag, legt niet uit waarom de Bulgaarse autoriteiten eiser hebben geregistreerd als meerderjarig. Dat de Bulgaarse autoriteiten een fictieve datum hebben gehanteerd is verder niet onderbouwd, waardoor dat betoog niet kan slagen. Gelet op het voorgaande heeft de minister met toepassing van het beleid terecht eiser als meerderjarige aangemerkt. [6]
Mag de minister voor Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser voert aan dat voor Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Bulgaarse asielprocedure en opvangvoorzieningen zijn gebrekkig en voldoen niet aan de Opvangrichtlijn [7] waardoor eiser het risico loopt om in een situatie terecht te komen die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Op de zitting voegt eiser hieraan toe dat in het AIDA ‘Country report: Bulgaria’ van 27 maart 2025 (AIDA-rapport) naar voren komt dat de problemen in Bulgarije structureel zijn en steeds erger worden. Eiser heeft de slechte omstandigheden in Bulgarije zelf meegemaakt en heeft hierover eerder al uitgebreid verklaard. De mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Bulgaarse autoriteiten was er niet, omdat hij juist door diezelfde autoriteiten slecht werd behandeld. Eiser ziet niet in hoe hij zijn basisrechten, zoals neergelegd in het arrest Ibrahim, [8] kan effectueren.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat voor Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister baseert zijn standpunt terecht onder meer op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 februari 2024 [9] en 27 juni 2024. [10] In deze uitspraken beoordeelde de Afdeling de situatie van asielzoekers die naar Bulgarije werden overgedragen onder de Dublinverordening. De Afdeling oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat Dublinterugkeerders geen toegang hebben tot opvang en andere noodzakelijke voorzieningen. De Afdeling heeft haar oordeel over Bulgarije en het interstatelijk vertrouwensbeginsel meerdere malen bevestigd in latere uitspraken. [11] De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats kwam recent, op 20 februari 2025, ook nog tot hetzelfde oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [12] In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit het AIDA-rapport volgt dat Dublinterugkeerders van wie de asielprocedure heropend en voortgezet kan worden, doorgaans op verzoek worden ondergebracht in een asielopvangcentrum. Hoewel er volgens het AIDA-rapport problemen zijn voor wat betreft de bezetting in de asielopvangcentra vanwege weinig plekken, is dit onvoldoende voor het oordeel dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Ten aanzien van eisers eigen ervaringen in Bulgarije heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de omstandigheden in de gesloten opvang gaan over de wijze waarop hij bij zijn eerste aankomst in Bulgarije is behandeld en niet over de situatie waarin hij terechtkomt als hij als Dublinclaimant aan Bulgarije zal worden overgedragen. Eiser heeft niet geprobeerd om bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen over deze omstandigheden, en heeft niet onderbouwd dat dit voor hem als Dublinclaimant niet mogelijk of zinloos is.
Eisers betoog dat het hem onduidelijk is hoe hij zijn basisrechten, zoals die in het arrest Ibrahim geduid zijn, kan effectueren, treft geen doel. Het arrest Ibrahim gaat namelijk over de situatie van statushouders. Eiser heeft echter geen status in Bulgarije en wordt op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening aan Bulgarije overgedragen.
Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er een reëel risico bestaat dat hij na overdracht aan Bulgarije aan een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM wordt blootgesteld.
Risico op indirect refoulement
7. Eiser betoogt dat zijn overdracht aan Bulgarije een (indirect) risico op refoulement zal opleveren omdat de mogelijkheid bestaat dat eiser direct na zijn uitzetting door de Bulgaarse autoriteiten teruggestuurd wordt naar Syrië.
7.1.
Uit de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [13] en de Afdeling van 12 juni 2024 [14] volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als de verantwoordelijke lidstaat een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 6.1) is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in Bulgarije een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat.
Had de minister artikel 16 van Pro de Dublinverordening moeten toepassen?
8. Eiser betoogt dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Eiser is afhankelijk is van zijn tante en neef, omdat hij niks weet en zijn familieleden hem kunnen begeleiden. Ook kunnen zijn tante en neef eten voor eiser regelen en voor hem koken.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming voldoende gemotiveerd dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing is op de situatie van eiser. Het gaat namelijk niet om een afhankelijkheidsrelatie met een kind, broer, zus of ouder, terwijl dat een voorwaarde is voor de toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Eisers betoog kan alleen al om die reden niet slagen.
Had de minister eisers asielaanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
9. Tot slot betoogt eiser dat de minister zijn asielverzoek in behandeling moet nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege bijzondere, individuele omstandigheden. Deze omstandigheden zijn gelegen in de traumatische ervaringen in Bulgarije. Eiser heeft moeite om over zijn problemen te praten en heeft medische klachten zoals kortademigheid, trillen en zweten zodra hij terugdenkt aan de gebeurtenissen in Bulgarije. Hij heeft vooralsnog geen medische stukken. Ter onderbouwing van zijn betoog overlegt eiser een schrijven van een getuige van de mishandeling en bedreiging door een mensensmokkelaar en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 26 november 2024. [15] Op de zitting heeft eiser nog verder toegelicht dat hij ook problemen heeft met de autoriteiten van Bulgarije en dat de minister hier ten onrechte te weinig nadruk op heeft gelegd.
9.1.
Voor zover eiser betoogt dat, gelet op zijn traumatische ervaringen in Bulgarije, zijn daaruit voortgekomen medische omstandigheden en de problemen met de mensensmokkelaar, aanleiding bestond voor de minister om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen, volgt de rechtbank dat betoog niet. De minister heeft niet ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij voor de verantwoordelijke lidstaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Die beoordeling is immers ook toegespitst op de concrete omstandigheden van de vreemdeling. [16] De door eiser gestelde medische klachten als gevolg door de gebeurtenissen in Bulgarije en de mishandeling en bedreiging door een mensensmokkelaar, zien op ervaringen in Bulgarije en de vraag of Bulgarije zijn internationale verplichtingen nakomt. De minister heeft die omstandigheden al betrokken bij de beoordeling of hij voor Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij kon dus volstaan met een verkorte motivering. In het bestreden besluit heeft de minister daarnaast gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd met medische stukken dat is gebleken van ernstige psychische gevolgen van zijn ervaringen in Bulgarije. Daarom zijn er geen aanwijzingen dat eiser in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling moet ondergaan, waardoor de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat zijn problemen met de autoriteiten van Bulgarije onvoldoende zijn benadrukt in de besluitvorming. In het aanmeldgehoor heeft eiser hoofdzakelijk verklaard over de mensensmokkelaar, waardoor het logisch is dat de minister vooral daar de nadruk op heeft gelegd. Eiser heeft wel verklaard dat de autoriteiten tegen hem schreeuwden, maar dat wil nog niet zeggen dat de autoriteiten niet helpen met bescherming tegen een mensensmokkelaar. Eisers verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Groningen leidt niet tot een andere conclusie. In die zaak werd ook een beroep gedaan op artikel 17 van Pro de Dublinverordening en had de minister in het daar bestreden besluit niet beoordeeld of de omstandigheden die de vreemdeling aanvoerde een bijzondere, individuele omstandigheid was die maakte dat de overdracht van de vreemdeling van een onevenredige hardheid zou getuigen. In eisers geval is de minister hier echter wel op ingegaan waardoor een beroep op de uitspraak van zittingsplaats Groningen niet kan slagen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Bulgarije hiervoor verantwoordelijk is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening.
3.Rapport aanmeldgehoor AMV, pagina 16.
4.Proces-verbaal leeftijdsschouw van 27 november 2024.
5.Verslag aanmeldgehoor AMV van 30 november 2024, pagina 17-18.
6.WI 2023/6 en WI 2025/1.
7.Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten.
8.Hof van Justitie 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (
9.ABRvS 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870.
10.ABRvS 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647.
11.ABRvS 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2977; ABRvS 19 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3349; ABRvS 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17956; ABRvS 3 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:376, ABRvS 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1080 en ABRvS 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1490.
12.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 20 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2835.
13.Hof van Justitie, 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.
14.ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
15.Rb. Den Haag (zp. Groningen) 26 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19598.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653 en ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.