ECLI:NL:RBDHA:2024:20905
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening voor Bulgarije
De rechtbank Den Haag behandelt het beroep van een Syrische asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseert dit op de Dublinverordening, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voert aan dat het voornemen van de minister onvoldoende is toegespitst op zijn persoonlijke omstandigheden en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije niet kan worden toegepast vanwege vermeende systeemfouten in de opvang, detentie en rechtsbijstand. Ook stelt hij dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten worden toegepast wegens bijzondere omstandigheden en het risico op indirect refoulement.
De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd heeft ingegaan op de zienswijze van eiser en de relevante jurisprudentie omtrent Bulgarije en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De gestelde afhankelijkheidsrelatie met een minderjarig familielid is eveneens gemotiveerd beoordeeld. De beroepsgronden slagen niet en het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser niet tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.