ECLI:NL:RBDHA:2024:21541
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Sluiting horeca-inrichting wegens drugshandel en handhaving Opiumwet
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag tot sluiting van zijn horeca-inrichting voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dit besluit volgde op politieonderzoeken waarbij meerdere drugshandelactiviteiten werden geconstateerd op het terras van de inrichting.
De politie observeerde op verschillende momenten drugstransacties, vond harddrugs bij betrokkenen en ontving meldingen via Meld Misdaad Anoniem. Eiser betwistte de overtredingen, stelde dat de scooter niet aan hem toebehoorde, dat hij niet betrokken was bij de handel en dat hij al maatregelen had genomen. Ook voerde hij aan dat de sluiting disproportioneel en onnodig was.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat er meer dan 0,5 gram harddrugs werd aangetroffen en dat het pandgericht sluiten van de horeca-inrichting passend is, ongeacht de persoonlijke betrokkenheid van eiser. De ernst en omvang van de overtredingen rechtvaardigen de sluiting en het doel om het woon- en leefklimaat te beschermen en de bekendheid als drugspand weg te nemen.
De rechtbank vindt de duur van drie maanden evenwichtig, ook gezien de verantwoordelijkheid van eiser als ondernemer om toezicht te houden. De financiële gevolgen en reputatieschade zijn niet doorslaggevend. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de drie maanden sluiting van de horeca-inrichting wegens drugshandel wordt ongegrond verklaard.