Uitspraak
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 2 januari 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, waarbij verweerder uitging van een in Kroatië geregistreerde geboortedatum die eiser meerderjarig maakte.
Eiser betwistte zijn meerderjarigheid en overhandigde een persoonlijk uittreksel ter onderbouwing van zijn minderjarigheid. De rechtbank oordeelde eerder dat dit document echt was, maar verweerder mocht het niet als identificerend document beschouwen omdat het niet voldeed aan de vereisten en er inconsistenties waren met eisers eigen verklaringen.
Verweerder mocht bovendien uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waarbij Kroatië geacht wordt zijn verplichtingen na te komen. Ondanks rapporten over tekortkomingen in Kroatië, was er geen bewijs dat overdracht aan Kroatië zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. Ook had verweerder de aanvraag niet onverplicht hoeven behandelen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro vanwege het ontbreken van bijzondere, individuele omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.