Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-.
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de opschorting van de overdrachtstermijn van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, nadat de staatssecretaris had meegedeeld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag en de overdrachtstermijn opschortte.
De rechtbank oordeelt dat het opschorten van de overdrachtstermijn een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waartegen beroep mogelijk is. Het beroep van eiser is tijdig ingediend nadat hij op 21 november 2023 van de opschorting op de hoogte werd gesteld.
Echter erkent de staatssecretaris dat de overdrachtstermijn ten onrechte is opgeschort en biedt geen proceskostenvergoeding aan. De rechtbank volgt de jurisprudentie dat het ontbreken van een proceskostenvergoeding onvoldoende is om procesbelang aan te nemen. Omdat eiser geen procesbelang meer heeft, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 875,-. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Vollebregt-Kuipers en griffier K.F.K. Hoogbruin op 30 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang, met toekenning van proceskostenvergoeding.