ECLI:NL:RBDHA:2024:4248
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelanders met tijdelijk verblijfsrecht in Nederland
De rechtbank Den Haag heeft op 27 maart 2024 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een Indiase nationaliteit dragende derdelander met tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne, bezwaar maakte tegen een terugkeerbesluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit besluit bepaalde dat de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) per 4 maart 2024 was geëindigd en dat eiser Nederland uiterlijk 1 april 2024 moest verlaten.
Eiser voerde aan dat de tijdelijke bescherming verlengd zou zijn tot 4 maart 2025 en dat de RTB ook voor de facultatieve groep van toepassing bleef. De rechtbank volgde echter de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die oordeelde dat de verlenging niet geldt voor de facultatieve groep, omdat Nederland sinds 19 juli 2022 geen gebruik meer maakt van de facultatieve bepaling van artikel 7 van Pro de RTB.
De rechtbank overwoog dat de maximale duur van de tijdelijke bescherming voor de facultatieve groep is bereikt op 4 maart 2024 en dat het terugkeerbesluit daarom terecht is genomen. Hoewel eiser voorafgaand aan het besluit niet is gehoord, achtte de rechtbank dit gebrek niet doorslaggevend omdat eiser voldoende gelegenheid had zich te verweren en het besluit niet anders zou zijn uitgevallen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd, waardoor eiser Nederland uiterlijk 1 april 2024 moet verlaten.