Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Tunesische nationaliteit, werd op 3 januari 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
De staatssecretaris baseerde de bewaring op meerdere gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onnodig ontdoen van reis- of identiteitsdocumenten, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Tijdens de zitting liet de staatssecretaris enkele gronden vallen, maar handhaafde het standpunt dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de gronden voldoende waren om de bewaring te dragen en dat er een significant risico op onderduiken bestaat. Hoewel eiser voorafgaand al zes maanden in strafrechtelijke detentie verbleef en de staatssecretaris erkende niet aan zijn inspanningsverplichting had voldaan, achtte de rechtbank de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris. De bewaring werd als proportioneel en rechtmatig beoordeeld.
De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak kan binnen een week worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.