ECLI:NL:RBDHA:2024:9764
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
Eiseres verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij haar meerderjarige dochter in Nederland. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, nu er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar dochter bestond.
De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de staatssecretaris terecht alle individuele omstandigheden had meegewogen, waaronder samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid, medische situatie en banden met het land van herkomst. De rechtbank vond dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij exclusief afhankelijk was van haar dochter of dat de emotionele band de gebruikelijke ouder-kindrelatie overstijgt.
Ook de medische afhankelijkheid werd niet onderbouwd met concrete zorgbehoeften. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging niet aan de orde was omdat geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.