ECLI:NL:RBDHA:2025:12951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juni 2025
Publicatiedatum
17 juli 2025
Zaaknummer
NL25.21565
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 DublinverordeningArt. 2 sub g DublinverordeningArt. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72 lid 4 Algemene wet bestuursrechtArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onvoldoende aanvullende garanties Bulgarije

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 10 juni 2025 en beoordeelt of het besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is.

De rechtbank oordeelt dat het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het verdedigingsbeginsel niet is geschonden. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom artikel 10 van Pro de Dublinverordening niet van toepassing is, omdat eiseres en haar echtgenoot niet als gezin in het land van herkomst hebben samengewoond. Ook is het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije terecht toegepast, ondanks rapporten over tekortkomingen in de opvang.

Echter, de rechtbank stelt vast dat eiseres en haar minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar moeten worden beschouwd vanwege trauma’s die behandeling vereisen. De minister heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd of zij in Bulgarije adequate zorg kunnen ontvangen. Daarom moet de minister aanvullende garanties vragen aan Bulgarije, met name over traumabehandeling voor de kinderen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet aanvullende garanties vragen aan Bulgarije voordat overdracht plaatsvindt.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21565
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , [minderjarige 2], (gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. N. Schoonbrood).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 mei 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Polo als tolk en -via Teams- de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat de minister aan Bulgarije aanvullende garanties moet vragen voor eiseres. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt en de minister opdracht geeft om een nieuw besluit te nemen, waarin hij rekening houdt met deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
Standaardvoornemen
5. Eiseres stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij voert hiertoe aan dat zij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zij een echtgenoot heeft die in Nederland in de nationale procedure is opgenomen. Zij heeft ook een huwelijksakte overgelegd. Dat raakt aan artikel 10 van Pro de Dublinverordening en eiseres heeft, nog voordat het voornemen is uitgebracht, een zogenaamde artikel 10 verklaring Pro ingevuld en overgelegd. Maar de minister is in het voornemen niet ingegaan op deze verklaring en heeft slechts gebruik gemaakt van een standaard voornemen. De minister is in het voornemen dus niet ingegaan op de door eiseres naar voren gebrachte individuele omstandigheden. Volgens eiseres is zij geschaad in het verdedigingsbeginsel en daarom dient het bestreden besluit vernietigd te worden.
6. De rechtbank oordeelt dat het besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) moet de minister in het voornemen voldoende duidelijk uiteen zetten dat, en op grond van welke redenen, een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.2 De minister hoefde daarbij niet kenbaar in te gaan op individuele omstandigheden. De vreemdeling kan in reactie hierop in de bestuurlijke fase zijn of haar standpunten over alle relevante elementen van de overdracht effectief kenbaar maken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in het voornemen alle dragende overwegingen opgenomen. Uit het voornemen kan namelijk worden afgeleid waarom Bulgarije verantwoordelijk wordt geacht, en dat de minister in de individuele omstandigheden van eiseres geen aanleiding ziet om de asielaanvraag in behandeling te nemen. In het bestreden besluit is de minister vervolgens ingegaan op het beroep van eiseres op artikel 10 van Pro de Dublinverordening en de door eiseres aangevoerde individuele omstandigheden, waarop eiseres in beroep heeft kunnen reageren. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het verdedigingsbeginsel is geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 10 van Pro de Dublinverordening

7. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een beroep op artikel 10 van Pro de Dublinverordening niet kan slagen. In dit kader heeft eiseres een huwelijksakte overgelegd, waaruit blijkt dat zij op [datum] 2023 is getrouwd. De echtgenoot van eiseres heeft de Libische nationaliteit en is in Nederland in de nationale procedure opgenomen. Zij hadden al een relatie in het land van herkomst. In zoverre was er volgens eiseres dus sprake van een gezin in het land van herkomst, zoals bedoeld in artikel 2, sub g, van de Dublinverordening. Daarnaast wijst eiseres er op dat de Dublin III verordening met ingang van 1 juli 2026 zal worden ingetrokken en zal worden vervangen door de Verordening asiel- en migratiebeheer. In deze nieuwe verordening zal het voor de beoordeling of er sprake is van een gezinslid niet van belang zijn of er al sprake was van een gezin in het land van herkomst. De minister had vooruit moeten lopen op deze voor eiseres gunstigere regelgeving.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom een beroep op artikel 10 van Pro de Dublinverordening niet kan slagen. Het is aan eiseres om de gestelde gezinsband, zoals bedoeld in artikel 2 onder Pro g, van de Dublinverordening, te onderbouwen. De minister heeft overwogen dat eiseres en haar echtgenoot op [datum] 2023 zijn gehuwd in Egypte. Tot het moment dat zij naar Nederland reisden hebben zij niet samengewoond in het land van het herkomst en daar een gezin gevormd. Eiseres verbleef immers in Jordanië, terwijl haar echtgenoot verbleef in Libië. Naar verklaringen van eiseres en de echtgenoot hebben zij elkaar slechts een paar keer gezien in Turkije. De minister heeft gezien het voorgaande kunnen concluderen dat er geen sprake was van een gezin in het land van herkomst, en dat de echtgenoot dus geen gezinslid is zoals bedoeld in artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. Ook bestond er geen aanleiding voor de minister om vooruit te lopen op de nieuwe regelgeving, voor zover daarin een ruimere uitleg wordt gegeven aan het begrip gezinslid. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

9. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader heeft eiseres verwezen naar het rapport Matteo3 van 29 januari 2025. Uit pagina 11 en 12 van dat rapport blijkt dat Dublinterugkeerders geen opvang in Bulgarije krijgen. Ook verwijst eiseres naar pagina 50 en 51 van het AIDA-rapport over Bulgarije van maart 2025 (update 2024), waaruit blijkt dat er voor Dublinterugkeerders geen toegang is tot opvang en dat zij zelfstandig in hun levensonderhoud moeten voorzien. Daarnaast is er voor Dublinterugkeerders geen psychologische zorg beschikbaar.
10. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder andere de richtinggevende uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, en van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, die onder meer gaan over het opvangsysteem in Bulgarije, geoordeeld dat de minister ten aanzien van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit oordeel heeft de Afdeling in de uitspraak van 3 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:376, nog eens herhaald. Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling.
11. Het betoog van eiseres dat er niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel slaagt niet. De door eiseres aangehaalde problemen met betrekking tot de opvangvoorzieningen en asielprocedure zijn geen schendingen van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen zoals gedefinieerd in het arrest Jawo.4 De verwijzing van eiseres naar de AIDA- rapportage update 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat de grens van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo wel wordt bereikt. De AIDA rapportage update 2024 geeft namelijk geen wezenlijk anders beeld van de opvangsituatie dan de AIDA-rapportage update 2023, waarover de Afdeling heeft geoordeeld. Zo is de conclusie op pagina 50 waar eiseres naar verwijst, dezelfde conclusie als in update 2023, en is derhalve reeds beoordeeld in de jurisprudentie van de Afdeling. Verder blijkt uit het AIDA-rapport update 2024 niet dat de tekortkomingen in de zorg zodanig zijn dat in het algemeen niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank ziet in het rapport Matteo ook geen concrete aanwijzingen dat de (opvang)situatie in Bulgarije wezenlijk verslechterd is ten opzichte van eerdere jaren. Daarnaast ligt het op de weg van eiseres om over een onrechtmatige behandeling te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit onmogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
3 Abgeschoben aus Deutschland nach Bulgarien: Systematische Verelendung im Transitland – kein Bett, kein Brot, keine Seife.
Tarakhel
12. Eiseres voert aan dat zij en haar twee minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar aangemerkt dienen te worden, omdat het gezin bestaat uit een moeder en twee minderjarige kinderen. Eiseres heeft een rapportage van Jeugd & Gezin overgelegd, waaruit blijkt dat de minderjarige kinderen meerdere trauma’s door hun verleden hebben opgelopen. Volgens die rapportage hebben beide kinderen trauma behandeling nodig, die bij voorkeur in Nederland plaats moet vinden, omdat eiseres en de kinderen gewend zijn.
13. In het Tarakhel-arrest heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen.5 Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzondere kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn.6 Verder ligt de bewijslast dat er sprake is van betreffende bijzondere kwetsbaarheid bij de vreemdeling.7
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat er in het geval van eiseres geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Uit artikel 21 van Pro de Opvangrichtlijn volgt dat onder kwetsbare personen onder meer wordt gedoeld op minderjarigen en personen die psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. In het geval van eiseres betreft het een gezin met minderjarige kinderen en is met de stukken aannemelijk gemaakt dat de beide kinderen trauma’s uit hun verleden hebben opgelopen en dat voor de beide kinderen behandeling nodig is. De rechtbank vindt het daarom voldoende aannemelijk dat er in het geval van eiseres sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Het standpunt van de minister op de zitting dat geen diagnose is gesteld en de kinderen nu niet onder behandeling zijn is ontoereikend, omdat een en ander niet vereist is voor het aannemen van bijzondere kwetsbaarheid.
4 ECLI:EU:C:2019:218.
5 Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
15. Omdat de rechtbank van oordeel is dat er in het geval van eiseres sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd en onderzocht of eiseres en haar minderjarige kinderen zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Bulgarije voldoende toegang hebben tot adequate zorgvoorzieningen. Uit de door eiseres overlegde AIDA-rapportage blijkt immers dat er voor Dublinterugkeerders in Bulgarije geen toegang is tot specialistische psychologische zorg. De minister kan er dus niet zonder meer van uitgaan dat voor de kinderen de benodigde zorg aanwezig is. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat de minister om aanvullende garanties dient te vragen bij de autoriteiten van Bulgarije alvorens de overdracht naar Bulgarije van eiseres en haar minderjarige kinderen plaatsvindt. De minister moet daarbij in ieder geval vragen of er in Bulgarije trauma behandeling beschikbaar is voor de kinderen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

16. Gelet op wat in rechtsoverweging 15 is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
17. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 9 mei 2025;
  • draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
13 juni 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.