ECLI:NL:RVS:2025:376

Raad van State

Datum uitspraak
3 februari 2025
Publicatiedatum
31 januari 2025
Zaaknummer
202407907/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling heeft bij besluit van 24 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen. Hiertegen heeft de vreemdeling beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 16 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift bevatte geen nieuwe rechtsvragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De Afdeling verwijst naar eerdere rechtspraak over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het AIDA-rapport Bulgarije.

De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het vonnis van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. J.H. van Breda op 3 februari 2025.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202407907/1/V3.
Datum uitspraak: 3 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 16 december 2024 in zaak nr. NL24.41851 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 16 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Szirmai, advocaat in Heerenveen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, onder 3-3.2, over de betekenis van het AIDA-rapport Bulgarije over 2023 (verschenen in april 2024) voor het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij de overdracht van Dublinclaimanten aan Bulgarije).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2025
846-1137