Uitspraak
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer 1] , eiseres
[eiser 2], v-nummer: [nummer 3] , eiser 2
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan in de bestuursrechtelijke asielzaak van een gezin uit Azerbeidzjan en Iran. De ouders hadden opvolgende asielaanvragen ingediend, die door de minister niet-ontvankelijk werden verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante feiten. De zoon diende een zelfstandige asielaanvraag in, die als kennelijk ongegrond werd afgewezen.
De rechtbank constateert dat de minister motiveringsgebreken vertoont, met name door onvoldoende aandacht te besteden aan nieuwe medische stukken en het BIC-rapport over de belangen van het kind. De medische verklaringen van de moeder, die PTSS en psychische klachten betreffen, zijn nieuw maar worden door de minister niet als relevant erkend. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt gerechtvaardigd is, maar dat het BIC-rapport wel degelijk relevant is en niet ten onrechte terzijde mag worden geschoven.
Verder is de procedure rondom het gehoor van de zoon zorgvuldig verlopen, ondanks emotionele momenten en een miscommunicatie over de termijn voor het indienen van correcties. De rechtbank wijst erop dat de minister ambtshalve moet toetsen of de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier leidt tot een schending van artikel 8 EVRM Pro, waarbij het BIC-rapport een belangrijke rol speelt.
De rechtbank geeft de minister zes weken de tijd om de gebreken te herstellen en stelt de verdere beslissing aan, mede omdat de uitkomst voor de zoon ook gevolgen kan hebben voor de ouders. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering en het betrekken van het belang van het kind bij asielbesluiten.
Uitkomst: De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid de motiveringsgebreken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.