ECLI:NL:RVS:2023:3606
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- H.J.M. Baldinger
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning op humanitaire gronden
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden door de staatssecretaris vernietigde. De vreemdelingen, een Chinees gezin bestaande uit vader, moeder en zoon, hadden hun verblijfsvergunningen in 2013 met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege het verstrekken van onjuiste gegevens en verbleven sindsdien illegaal in Nederland.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met rapporten over de ontwikkelingsschade die de zoon zou oplopen bij terugkeer naar China en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro niet zorgvuldig was gemaakt. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rapporten niet zorgvuldig waren opgesteld en dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van de vreemdelingen.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris ontvankelijk is en dat de rechtbank ten onrechte de rapporten van Defence for Children van belang achtte voor de ontwikkelingsschade, terwijl het BIC-rapport wel zorgvuldig was opgesteld en relevant. De Afdeling stelde dat de staatssecretaris een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt en dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een voortzetting van het privéleven in Nederland rechtvaardigen. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen werd ongegrond verklaard.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van vier jaar voor de procedure was overschreden, wat volledig aan de staatssecretaris kon worden toegerekend, en werd een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 toegekend aan de vreemdelingen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard met toekenning van een schadevergoeding aan de vreemdelingen.