ECLI:NL:RBDHA:2025:14770
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag EU/EER verblijfsdocument wegens niet voldaan aan criteria ten laste komen en geen schending artikel 8 EVRM
Eisers, Russische staatsburgers, vroegen een EU/EER verblijfsdocument aan om bij hun dochter en haar echtgenoot (de referent) in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat de referent de Nederlandse nationaliteit bezit en daardoor geen begunstigde is in de zin van de Verblijfsrichtlijn. Daarnaast concludeerde de minister dat eisers onvoldoende hebben aangetoond dat zij materieel ten laste komen van de referent, zoals vereist onder artikel 21 VWEU Pro.
De rechtbank bevestigt dat de Verblijfsrichtlijn niet van toepassing is omdat de referent Nederlandse nationaliteit heeft. Ook oordeelt de rechtbank dat eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd over hun economische en sociale situatie in Rusland op het moment van het verzoek, waardoor niet kan worden vastgesteld dat materiële ondersteuning noodzakelijk was. Eisers hebben onder meer bankafschriften en kostenoverzichten overgelegd, maar deze zijn onvoldoende onderbouwd of niet relevant voor basisbehoeften.
Verder stelt de rechtbank vast dat er geen sprake is van een familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro dat een verblijfsrecht zou kunnen rechtvaardigen. De minister heeft gemotiveerd dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Eisers hebben hun medische situatie onvoldoende onderbouwd en niet aangetoond dat zij geen andere familie of vrienden in Rusland hebben die voor hen kunnen zorgen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eisers krijgen geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een EU/EER verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard.