Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] (V-nummer: [V-nummer]),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
a) hij de nationaliteit van dat land heeft, of
1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig
47 Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32, betreffende respectievelijk het begrip veilig land van herkomst en de aanmerking door de lidstaten van derde landen als veilig land van herkomst, een bijzondere behandelingsregeling instellen waaraan de lidstaten verzoeken om internationale beschermen kunnen onderwerpen, die berust op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, dat door de verzoeker kan worden weerlegd door dwingende redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 25).
48 In het kader van de specifieke kenmerken van deze bijzondere behandelingsregeling kunnen de lidstaten ten eerste overeenkomstig artikel 31, lid 8, onder b), van deze richtlijn besluiten om de behandelingsprocedure te versnellen en ten tweede om de behandelingsprocedure aan de grens of in transitzones te voeren overeenkomstig artikel 43 van Pro deze richtlijn.
49 Daarnaast kunnen de lidstaten een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een verzoeker die afkomstig is uit een veilig land van herkomst en dat ongegrond is verklaard omdat de beslissingsautoriteit krachtens artikel 32, lid 1, van richtlijn 2013/32 heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95, krachtens artikel 32, lid 2, ook als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.
(…)
63 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, met uitzondering van bepaalde delen van zijn grondgebied.
(…)
65 Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 betreft, dat volgens het opschrift ervan betrekking heeft op de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilig land van herkomst, zij erop gewezen dat daarin herhaaldelijk wordt verwezen naar de begrippen „land” en „derde land”, zonder enige aanduiding dat deze begrippen in het kader van die aanmerking geacht kunnen worden betrekking te hebben op slechts een deel van het grondgebied van het betrokken derde land.
67 Wat in de tweede plaats de context van artikel 37 van Pro deze richtlijn betreft, blijkt ten eerste uit dit artikel dat de lidstaten overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn veilige landen van herkomst kunnen aanmerken. Uit de in deze bijlage opgesomde criteria kunnen echter, net zomin als uit de bewoordingen van artikel 37, aanwijzingen worden geput aangaande de vraag of het de lidstaten vrijstaat slechts het deel van het grondgebied van het betrokken derde land waarin aan deze criteria wordt voldaan, aan te merken als veilig land van herkomst.
68 Integendeel, volgens de bewoordingen van deze bijlage hangt de aanmerking van een land als veilig land van herkomst, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering is geroepen, ervan af of kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Pro richtlijn 2011/95, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.
69 Zoals de advocaat-generaal in de punten 92 en 93 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lijkt het gebruik van de bewoordingen „algemeen gezien en op duurzame wijze” erop te duiden dat, bij gebreke van elke verwijzing in bijlage I bij richtlijn 2013/32 of artikel 37 van Pro deze richtlijn naar een deel van het grondgebied van het betrokken derde land, op het gehele grondgebied van het desbetreffende land aan de voorwaarden van deze bijlage moet zijn voldaan om als veilig land van herkomst te kunnen worden aangemerkt.
70 Ten tweede biedt de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilige landen van herkomst de mogelijkheid om verzoeken om internationale bescherming van uit deze derde landen afkomstige aanvragers te onderwerpen aan een bijzondere behandelingsregeling die derogerend van aard is, zoals in de punten 47 tot en met 50 van dit arrest is uiteengezet.
71 Indien artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 aldus werd uitgelegd dat het de mogelijkheid biedt om derde landen als veilige landen van herkomst aan te merken met uitzondering van bepaalde delen van hun grondgebied, zou dit tot een verruiming van de werkingssfeer van deze bijzondere behandelingsregeling leiden. Aangezien de bewoordingen van artikel 37 of Pro, meer algemeen, van die richtlijn geen steun bieden voor een dergelijke uitlegging, zou de erkenning van een dergelijke mogelijkheid voorbijgaan aan de strikte uitlegging die aan afwijkende bepalingen moet worden gegeven [zie in die zin arresten van 5 maart 2015, Commissie/Luxemburg, C‑502/13, EU:C:2015:143, punt 61, en 8 februari 2024, Bondsrepubliek Duitsland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek), C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
72 In de derde plaats bevestigt ook de ontstaansgeschiedenis van artikel 37 dat Pro dit artikel van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet is toegestaan om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken met uitzondering van bepaalde delen van zijn grondgebied. In dit verband zij erop gewezen dat de lidstaten hun bevoegdheid om derde landen met het oog op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming als veilige landen van herkomst aan te merken, vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 aan richtlijn 2005/85 en meer in het bijzonder aan artikel 30 van Pro die richtlijn ontleenden.
73 Dit artikel 30 bepaalde Pro uitdrukkelijk dat de lidstaten ook een deel van het grondgebied van een derde land als veilig konden aanmerken, indien voor dat deel de voorwaarden van bijlage II bij richtlijn 2005/85 waren vervuld, welke voorwaarden in wezen overeenkomen met die van bijlage I bij richtlijn 2013/32. Hoewel bijlage II bij richtlijn 2005/85, evenals bijlage I bij richtlijn 2013/32, het bewijs verlangde dat er „algemeen gezien en op duurzame wijze” geen sprake was van vervolging, volgde uit de bewoordingen zelve van dit artikel 30 dat Pro dit vereiste in geval van een dergelijke gedeeltelijke aanmerking enkel gold voor het als veilig aangemerkte deel van het grondgebied.
74 Richtlijn 2005/85 is ingetrokken overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van Pro richtlijn 2013/32. Zoals uit de concordantietabel in bijlage III bij richtlijn 2013/32 blijkt, is voornoemd artikel 30 daarbij Pro vervangen door artikel 37 van Pro laatstgenoemde richtlijn. De bevoegdheid om een deel van het grondgebied van een derde land als veilig aan te merken is daarin niet langer opgenomen.
75 De bedoeling om deze bevoegdheid te schrappen blijkt uit de wijzigingstekst zelf van artikel 30, lid 1, van richtlijn 2005/85, zoals opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming [COM(2009) 554 definitief, blz. 60]. Deze bevoegdheid is daar in het merendeel van de taalversies uitdrukkelijk doorgehaald en in andere versies geschrapt.
76 Bovendien wordt deze bedoeling ook bevestigd door de uitvoerige toelichting op dit voorstel [COM(2009) 554 definitief, bijlage, 14959/09 ADD 1, blz. 15] die door de Commissie aan de Raad van de Europese Unie was verstrekt. In deze toelichting wordt uitdrukkelijk gewag gemaakt van de wil om de bevoegdheid van de lidstaten om het begrip „veilig land van herkomst” op een deel van een derde land toe te passen, te schrappen, en van de consequentie daarvan, namelijk dat voortaan wordt vereist dat het gehele grondgebied van het betrokken derde land voldoet aan de materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking.
77 In de vierde en laatste plaats staan de doelstellingen van richtlijn 2013/32 niet in de weg aan een dergelijke consequentie, zodat zij zich evenmin ertegen verzetten dat artikel 37 van Pro deze richtlijn aldus wordt uitgelegd dat de lidstaten een derde land niet als veilig land van herkomst mogen aanmerken indien bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet voldoen aan de daartoe in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden.
(…)
81 Aangezien richtlijn 2013/32, zoals in punt 78 van dit arrest is opgemerkt, een snelle en volledige behandeling van verzoeken om internationale bescherming beoogt te waarborgen, staat het aan de Uniewetgever om, bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid in het kader van de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de verlening en intrekking van internationale bescherming, deze twee doelstellingen tegen elkaar af te wegen wanneer hij bepaalt onder welke voorwaarden de lidstaten een derde land als veilig land van herkomst kunnen aanmerken. Indien deze wetgever in het kader van richtlijn 2013/32 niet heeft voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om, met het oog op een dergelijke aanmerking, een deel van het grondgebied van een derde land uit te sluiten, weerspiegelt dit dan ook deze belangenafweging en getuigt het van diens voorkeur voor een volledig onderzoek van verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend door verzoekers wier land van herkomst niet op het gehele grondgebied ervan voldoet aan de materiële voorwaarden van bijlage I bij deze richtlijn.
82 Als artikel 61, lid 2, van verordening 2024/1348, waarbij richtlijn 2013/32 met ingang van 12 juni 2026 wordt ingetrokken, een dergelijke bevoegdheid opnieuw invoert door te bepalen dat bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor specifieke delen van het grondgebied van dat land, is dat een prerogatief van de Uniewetgever, die op die keuze mag terugkomen door een hernieuwde belangenafweging te maken, mits daarbij de vereisten die met name uit het Verdrag van Genève en het Handvest voortvloeien, in acht worden genomen. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat de daartoe bij deze verordening ingevoerde rechtsregeling verschilt van die van richtlijn 2005/85, de uitlegging bevestigt dat de Uniewetgever deze bevoegdheid niet in richtlijn 2013/32 heeft voorzien.
83 Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de mogelijkheid om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken wanneer bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet voldoen aan de daartoe in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden.
(…)
98 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer bij een rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunc-onderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee moet houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk tot staving van dit beroep is aangevoerd.
vervolgensdoor de verzoeker kan worden weerlegd. Tevens heeft dit gevolgen voor de wijze van afdoening en de gevolgen hiervan zoals dit in het nationale recht is geregeld. De procedurele waarborgen zijn minder groot, zoals verweerder ter zitting aan de hand van de rust- en voorbereidingstijd heeft uitgelegd. Maar ook betekent het benoemen van een land als veilig land van herkomst in de nationale procedure, dat bij de afwijzing van de asielaanvraag en de daarop verplichte oplegging van een terugkeerbesluit, geen termijn voor vrijwillig vertrek wordt bepaald en verweerder verplicht is om een inreisverbod uit te vaardigen.
nietuitdrukkelijk is bepaald dat indien lidstaten dergelijke wetgeving kennen bij de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32, de lidstaten deze wetgeving nog steeds mogen handhaven onder de nieuwe richtlijn.
nietals veilig land van herkomst mogen aanmerken, indien bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet voldoen aan de daartoe in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden. De rechtbank vermag niet in te zien dat de doelstellingen van richtlijn zich wel er tegen zouden verzetten dat artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 aldus wordt uitgelegd dat de lidstaten een derde land niet als veilig land van herkomst mogen aanmerken indien niet ten aanzien van iedere onderdaan wordt voldaan aan de in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden.
1. Een derde land kan slechts worden aangewezen als veilig land van herkomst overeenkomstig deze verordening indien op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er geen sprake is van vervolging als gedefinieerd in artikel 9 van Pro Verordening (EU) 2024/1347, noch van een reëel risico op ernstige schade als gedefinieerd in artikel 15 van Pro die verordening.
2. Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.
hele grondgebiedvan het betreffende derde land en voor
alle onderdanenvan dat derde land wordt voldaan aan de in bijlage I bij richtlijn 2013/32 gestelde materiële voorwaarden.
nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer (…)” dus niet betekent dat categorieën van personen kunnen worden uitgezonderd omdat er toch steeds nog een individuele beoordeling moet worden gemaakt. Deze passage duidt er op dat -in de situatie dat een land van herkomst als veilig land van herkomst is aangemerkt- de individuele beoordeling die moet worden verricht er op ziet of dit uitgangspunt voor iedereen en óók voor de betreffende derdelander geldt. Deze individuele beoordeling wordt pas verricht na de vaststelling dat het land van herkomst een veilig land is.
nadatis vastgesteld dat in beginsel het betreffende land van herkomst overal en voor iedereen als veilig kan worden beschouwd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 november 2024;
- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.