ECLI:NL:RBDHA:2025:21517
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en zicht op uitzetting
De minister heeft op 26 mei 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen meerdere keren beroep ingesteld, waarbij de rechtbank telkens de rechtmatigheid van de maatregel heeft getoetst. In dit vierde vervolgberoep betoogt eiser dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
De rechtbank overweegt dat het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt en dat de aanvraag om een laissez-passer nog loopt. Eiser heeft niet actief meegewerkt aan zijn uitzetting, onder meer door niet te verschijnen bij een geplande presentatie en door aan te geven zelf niets te zullen ondernemen om terugkeer mogelijk te maken. De minister heeft meerdere malen gerappelleerd en een vertrekgesprek gevoerd, wat voldoende voortvarendheid toont.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 24 september 2025 rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven en griffier N. ter Horst op 14 november 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.