ECLI:NL:RBDHA:2025:22323
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging prematuur terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming derdelander
De zaak betreft het beroep van een derdelander uit Marokko die in Oekraïne tijdelijke bescherming genoot en deze bescherming in Nederland voortzette. De minister beëindigde de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 en legde op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit op. Eiser betwistte dit besluit en stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat de minister de hoorplicht had geschonden.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming rechtsgeldig op 4 maart 2024 is geëindigd, conform eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie. Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is echter prematuur omdat het vóór de beëindiging van de tijdelijke bescherming is genomen. De minister had dit besluit niet eerder mogen opleggen.
Verder stelt de rechtbank vast dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden, omdat eiser reeds in 2023 de gelegenheid had gekregen zijn zienswijze te geven en sindsdien geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het terugkeerbesluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van €907.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 wordt vernietigd wegens prematuriteit en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.