ECLI:NL:RBDHA:2025:22555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.56581
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling in het kader van asielprocedure en informatieplicht van de minister

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 28 november 2025, wordt de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, door de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. Eiser heeft op 10 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend en is op dezelfde datum in bewaring gesteld. De minister heeft op 18 november 2025 een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd, waartegen eiser beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel van bewaring op een juiste grondslag heeft gebaseerd, namelijk artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat hij op 14 november 2025 zonder aanwezigheid van zijn gemachtigde is gehoord, maar de rechtbank concludeert dat dit proces-verbaal abusievelijk is opgemaakt en dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank maakt een belangenafweging en komt tot de conclusie dat de belangen van de minister zwaarder wegen. Eiser heeft ook aangevoerd dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht door een onjuiste informatiefolder te verstrekken. De rechtbank erkent dat de folder niet correct was, maar oordeelt dat dit gebrek niet leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank wijst het beroep van eiser af en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten van € 1.814.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56581

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Voor wat betreft het zogenoemde voortraject van de maatregel is het niet aannemelijk dat eiser op 14 november 2025 zonder gemachtigde is gehoord, maar is wel een informatiefolder met een verkeerde inhoud aan eiser uitgereikt. De rechtbank maakt daarom een belangenafweging, die in het voordeel van de minister uitvalt. Dit gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de bewaring. Verder is de maatregel van bewaring op een juiste grondslag gebaseerd en had de minister niet hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 18 november 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. [1]
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft op 10 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend en is op dezelfde datum in bewaring gesteld. [3] De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder beoordeeld en in haar uitspraak van 5 november 2025 geoordeeld dat deze maatregel rechtmatig was. [4] De minister heeft de asielaanvraag van eiser op 12 november 2025 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft tijdens het vertrekgesprek op 14 november 2025 een nieuwe asielaanvraag gedaan. Om die reden heeft de minister de maatregel van bewaring van 10 oktober 2025 op 18 november 2025 opgeheven en aansluitend de huidige maatregel van bewaring opgelegd. Over deze maatregel gaat deze uitspraak.
Is eiser op 14 november 2025 zonder aanwezigheid van zijn gemachtigde gehoord?
4. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat uit het dossier lijkt te volgen dat hij op 14 november 2025 zonder aanwezigheid van zijn gemachtigde is gehoord. In het dossier zit namelijk een proces-verbaal van gehoor van 14 november 2025 waarop wel vragen, maar geen antwoorden staan ingevuld en waarop is ingevuld dat eiser geen prijs stelde op aanwezigheid van zijn gemachtigde bij het gehoor. Dat is merkwaardig, omdat eiser op 14 november 2025 ’s ochtends op hetzelfde tijdstip in het detentiecentrum in Rotterdam een vertrekgesprek heeft gehad en nooit toestemming heeft gegeven om zonder zijn gemachtigde te worden gehoord. Eiser sluit niet uit dat sprake is van een misverstand en een abusievelijk opgemaakt proces-verbaal, maar vindt het kwalijk dat de minister kennelijk werkt met vooraf ingevulde gehoorverslagen en deze fout niet heeft teruggenomen. Eiser voelt zich daardoor niet serieus genomen. Het proces-verbaal is, ondanks het gebrek aan inhoud, wel op ambtseed opgemaakt en ondertekend. Deze onduidelijke verslaglegging moet volgens eiser voor risico van de minister komen en leiden tot onmiddellijke invrijheidstelling.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. In het genoemde proces-verbaal van 14 november 2025 zijn de gegevens van eiser vermeld en zijn (te stellen) vragen ingevuld, maar geen antwoorden op die vragen. Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het niet aannemelijk is dat dit gehoor daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat dit proces-verbaal abusievelijk is opgemaakt. De rechtbank ziet echter geen reden om te oordelen dat de huidige inbewaringstelling van eiser hierdoor onrechtmatig is. Afgezien nog van de vraag of dit proces-verbaal moet worden beschouwd als onderdeel van het voortraject van de huidige maatregel van bewaring, blijkt uit een enkel abusievelijk opgemaakt proces-verbaal niet van enige vooringenomenheid van de minister tegenover eiser. Bovendien is eiser voorafgaand aan het opleggen van de huidige maatregel van bewaring (op 18 november 2025) gehoord in het bijzijn van zijn gemachtigde, zodat de rechtbank ook niet inziet waarom hij door het abusievelijk opgemaakte proces-verbaal van 14 november 2025 is benadeeld of in zijn belangen is geschaad.
Heeft de minister met de uitgereikte folder voldaan aan zijn informatieplicht?
5. Eiser betoogt dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, omdat hij niet de juiste informatiefolder aan eiser heeft uitgereikt. In de eerste plaats zitten in het dossier twee folders en blijkt uit het dossier niet welke folder voorafgaand aan de inbewaringstelling aan eiser is uitgereikt. Daarnaast kleven aan beide folders gebreken, omdat niet de juiste grondslag is vermeld en/of niet de juiste zware en lichte gronden zijn aangekruist. Verder staat in het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de bewaring dat de folder is verstrekt in het ‘Marokkaans’, maar die taal bestaat niet. In Marokko worden twee talen gesproken: het Marokkaans-Arabisch en het Berbers. Eisers moedertaal is het Berbers en hij geeft daarom ook expliciet de voorkeur aan communicatie in het Berbers. In welke taal de folder is opgesteld, is niet duidelijk. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht, zodat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
5.1.
Het betoog van eiser slaagt in zoverre dat de minister niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Maar dat leidt niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank zal dat oordeel hierna uitleggen.
5.1.1.
De vreemdeling wordt schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van de bewaring. [5] In dat kader is voldoende dat de minister de vreemdeling informeert over de juridische grondslag van de maatregel van bewaring en de zware en lichte gronden die daaraan ten grondslag liggen. [6] De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan de huidige maatregel van bewaring de informatiefolder met de titel “M109 Maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 Vw (Arabisch)” is uitgereikt. [7] Nog daargelaten dat deze informatiefolder ziet op een andere grondslag (artikel 59 van de Vw 2000) dan de grondslag waarop de huidige maatregel van bewaring is gebaseerd (artikel 59b van de Vw 2000), zijn op deze informatiefolder ook zware gronden aangekruist (de zware gronden 3a en 3j) die niet aan de huidige maatregel van bewaring ten grondslag liggen. De rechtbank is alleen al daarom van oordeel dat eiser met deze informatiefolder onjuist is geïnformeerd over de redenen van zijn bewaring, zodat de minister niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Het antwoord op de vraag of de folder is opgesteld in een taal die eiser verstaat, kan daarom in het midden blijven.
5.1.2.
Dit gebrek leidt echter niet onmiddellijk tot onrechtmatigheid van de bewaring. Dat is pas het geval als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. [8] De rechtbank moet dus een belangenafweging maken. Deze belangenafweging valt uit in het voordeel van de minister. Eiser is voorafgaand aan de inbewaringstelling en tijdens het gehoor bijgestaan door zijn gemachtigde, die een afschrift van de maatregel van bewaring heeft ontvangen. Hij heeft daarom de gelegenheid gehad om de redenen van de bewaring met zijn gemachtigde te bespreken. [9] Daarnaast zijn de grondslag en de gronden van de huidige maatregel vrijwel identiek aan die uit de vorige maatregel, en zijn deze tijdens het gehoor voorafgaand aan de vorige inbewaringstelling met eiser besproken. [10] Het is daarom niet gebleken dat eiser door dit gebrek in zijn belangen is geschaad. Bovendien heeft eiser geen andere zwaarwegende belangen aan zijn zijde gesteld en heeft de minister zich, zoals de rechtbank hierna onder 7.3 zal overwegen, terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht.
Heeft de minister de maatregel van bewaring gebaseerd op de juiste juridische en feitelijke grondslag?
6. Eiser betoogt dat de minister de maatregel van bewaring niet heeft gebaseerd op de juiste juridische en feitelijke grondslag. In het geval van eiser is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000 (de a-, b- en c-gronden) en is geen sprake van een risico op onttrekking aan het toezicht.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in bewaring is gesteld op de a- en b-grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. Dat is mogelijk als de bewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling (de a-grond) of met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor een beoordeling van de asielaanvraag (de b-grond). In beide gevallen is ook vereist dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. [11] De rechtbank zal hierna eerst bespreken of sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht en daarna of de a- en/of de b-grond aan eiser kon(den) worden tegengeworpen. Omdat de bewaring niet op de c-grond is gebaseerd, zal de rechtbank daar geen oordeel over geven.
Risico op onttrekking aan het toezicht
7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. De minister heeft onder verwijzing naar het Vb 2000 [12] als zware gronden vermeld dat eiser:
  • (3b) zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • (3c) eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • (3f) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
  • (3i) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser
  • (4a) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
  • (4c) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en
  • (4d) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7.1.
De minister heeft de zware grond 3i op de zitting laten vallen. Deze ligt daarom niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag.
7.2.
Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist. De zware grond 3b is volgens eiser feitelijk niet juist, omdat hij zich nooit aan het toezicht aan vreemdelingen heeft onttrokken of willen onttrekken. In de maatregel wordt slechts vermeld dat eiser een visumtermijn van drie maanden heeft overschreden, maar niet dat hij een uiterste vertrekdatum heeft overschreden. Eiser was ook niet met een uiterste vertrekdatum bekend en zou nooit naar Nederland zijn teruggekomen als hij wist dat hij geen rechtmatig verblijf zou hebben. Aan eiser kan daarom ook niet worden tegengeworpen dat hij zijn onrechtmatig verblijf in Nederland niet heeft gemeld. Daarnaast
beschikteiser wel over een paspoort, maar kan hij dat niet alleen niet
tonen. De zware grond 3c is volgens eiser ook feitelijk niet juist, omdat het visumbesluit nooit aan hem kenbaar is gemaakt. Bovendien heeft eiser Nederland wel degelijk op enig moment verlaten (omdat hij naar Spanje is vertrokken) en kan hij Nederland nu niet verlaten omdat hij in bewaring is gesteld. Tot slot voert eiser over de lichte grond 4c aan dat hij zich vanuit detentie niet in de Basisregistratie personen niet kan inschrijven en dat de minister het onttrekkingsrisico niet heeft gemotiveerd.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden aanwezig om te kunnen aannemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat de zware gronden 3b en 3c in het geval van eiser feitelijk juist zijn, volgt al uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 2025. [13] De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser feitelijk niet heeft betwist dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat de minister in de maatregel heeft gemotiveerd waarom uit het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats een risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit. Daarom kan ook de lichte grond 4c aan de onderbouwing van het onttrekkingsrisico ten grondslag worden gelegd. Omdat de zware gronden 3b en 3c en de lichte grond 4c samen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, kan wat is aangevoerd over de andere zware en lichte gronden niet leiden tot een ander oordeel.
De bewaring is noodzakelijk met het oog op het verkrijgen van gegevens voor de behandeling van de asielaanvraag (de b-grond)
8. Eiser betoogt verder dat de bewaring niet noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Volgens de minister werkt eiser niet mee aan de behandeling van zijn asielaanvraag, zodat alleen al daarom niet valt in te zien waarom de bewaring zal kunnen leiden tot verkrijging van de vereiste gegevens. Verder en in het verlengde hiervan kan eiser op deze grondslag slechts in bewaring worden gesteld als de bedoelde gegevens niet kunnen worden verkregen zonder eiser in bewaring te stellen. [14] Aan eiser is niet eens gevraagd of hij zijn asielprocedure wil doorlopen in Ter Apel of Budel. Tot slot wijst eiser erop dat hij inmiddels is gehoord. De bewaring kan, op deze grondslag, niet voortduren in de periode tussen het gehoor en het moment waarop de beslissing op de asielaanvraag wordt genomen als het niet langer nodig is om noodzakelijke gegevens voor de behandeling van de asielaanvraag te verkrijgen. [15]
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Uit vaste rechtspraak volgt dat daarmee gegeven is dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. [16] Het is dus niet van belang of eiser al dan niet aan zijn asielaanvraag meewerkt en al dan niet heeft laten weten zijn asielprocedure buiten bewaring te willen doorlopen. De minister heeft er daarnaast terecht op gewezen dat in het geval van eiser alleen nog maar een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden, en nog geen nader gehoor. Mede gelet op het feit dat eiser een lhbti-motief aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd [17] is het niet aannemelijk dat het aanmeldgehoor voldoende is om op de asielaanvraag van eiser te beslissen, zodat de bewaring nog altijd noodzakelijk kan worden geacht met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag.
Overige beroepsgronden van eiser
9. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister de maatregel van bewaring in ieder geval mocht baseren op de b-grond van artikel 59b van de Vw 2000. Het antwoord op de vraag of de minister de maatregel (ook) mocht baseren op de a-grond van deze bepaling, kan daarom in het midden blijven. [18]
Conclusie over deze beroepsgrond
10. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft de maatregel van bewaring op een juiste juridische en voldoende feitelijke gronden gebaseerd.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling?
11. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet heeft volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. [19] In de eerste plaats lijkt het erop dat de minister geen serieuze en op de zaak toegespitste afweging heeft gemaakt, omdat aan eiser al werd meegedeeld dat hij in bewaring zou worden gesteld vóórdat zijn gemachtigde daar op- of aanmerkingen bij kon plaatsen. Ook is afgewogen of een ander middel kan volstaan om het vertrek van eiser uit de Europese Unie te waarborgen, terwijl eiser een asielaanvraag heeft ingediend. Daarnaast ervaart eiser forse stress en angst als gevolg van zijn detentie, omdat hij niet eerder vast heeft gezeten.
11.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling heeft volstaan. De rechtbank stelt daarbij voorop dat aan eiser tijdens het gehoor is meegedeeld dat hij in bewaring zou worden gesteld en zijn gemachtigde daarna de gelegenheid heeft gekregen op- en aanmerkingen te maken, maar dat de daadwerkelijke afweging pas in de maatregel van bewaring heeft plaatsgevonden met inachtneming van wat tijdens het gehoor is aangevoerd. Voor zover eiser met zijn beroepsgrond heeft betoogd dat de minister op dit punt vooringenomen was, is de rechtbank daarom niet van deze vooringenomenheid gebleken. Verder heeft de minister in de maatregel weliswaar vermeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat een lichter middel niet voor de effectuering van zijn vertrek volstaat, maar heeft de minister in de inhoudelijke beoordeling van het lichter middel zelf [20] niet betrokken dat eiser de Europese Unie moet verlaten, zodat de rechtbank daarin geen motiveringsgebrek ziet. Tot slot had de minister in de stress- en angstklachten van eiser geen reden hoeven zien om met een lichter middel te volstaan. Nog daargelaten dat eiser dit tijdens het gehoor niet heeft aangevoerd en zijn klachten niet heeft onderbouwd, wijst de minister er terecht op dat eiser in het detentiecentrum, zo nodig, voor zijn klachten een beroep kan doen op de medische dienst. Het is niet gebleken dat de daar geboden zorg niet beschikbaar of ontoereikend is. Het is daarom in zoverre niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
12. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [21]

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
13.1.
Omdat de rechtbank onder 5.1.1 een gebrek in het voortraject heeft geconstateerd, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 907). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Deze maatregel is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
3.Deze maatregel van bewaring was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20526.
5.Dat volgt uit artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
6.Vergelijk ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, r.o. 3.1-3.2.
7.In het rechtbankdossier is dit het gedingstuk met nummer 60.
8.Zie ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 9.
9.Vergelijk ABRvS 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, r.o. 4.1.
10.Zie het proces-verbaal van het gehoor van 10 oktober 2025, p. 3-4.
11.Dat staat in artikel 5.1c, eerste en tweede lid, van het Vb 2000.
12.In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
13.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20526, r.o. 7.2.
14.Eiser wijst op artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn.
15.Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Roermond) 6 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:14301, r.o. 46.
16.ABRvS 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, r.o. 2; ABRvS 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2852, r.o. 2.2-2.3.
17.Zie het verslag van het aanmeldgehoor van 23 november 2025, p. 12.
18.Vergelijk ABRvS 1 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1912, r.o. 5.4
19.Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Utrecht) 26 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:14730 en HvJEU 28 april 2011, C-61/11, ECLI:EU:C:2011:268.
20.Zie de maatregel van bewaring van 18 november 2025, p. 6.
21.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (