ECLI:NL:RBDHA:2025:22749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
NL25.5338
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Iraanse statushouder met betrekking tot terugkeer naar Griekenland en de beoordeling van internationale bescherming

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een asielzaak waarbij eiser, een Iraanse statushouder, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. Eiser heeft op 24 maart 2023 zijn asielaanvraag ingediend, maar verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft deze op 27 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij aanvoert dat de informatie over zijn status in Griekenland niet actueel is en dat hij bij terugkeer in Griekenland in een onveilige situatie terecht zal komen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de informatie waarop verweerder zich baseert, namelijk het Eurodac-resultaat van 24 maart 2023, onvoldoende actueel is. De rechtbank oordeelt dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan aannemen dat eiser nog steeds internationale bescherming in Griekenland heeft. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is vastgesteld dat de situatie voor terugkerende statushouders in Griekenland zorgwekkend is. De rechtbank concludeert dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5338

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Op 24 maart 2023 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) ingediend.
Op 22 juli 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Op 6 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Deze rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit bij uitspraak van 17 oktober 2024 gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en verweerder opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. De rechtbank heeft hierbij bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.
Op 4 februari 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Met het besluit van 27 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder eiser het bevel gegeven om onmiddellijk naar Griekenland te gaan.
Eiser heeft op 6 juni 2025 beroepsgronden tegen het bestreden besluit ingediend. Op 27 oktober 2025 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.24985), op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk. Namens verweerder is niemand verschenen.

Inleiding

1. Eiser heeft opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft op 27 mei 2025 alsnog een besluit genomen op de asielaanvraag van eiser. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.
2. De rechtbank overweegt dat verweerder met het bestreden besluit niet aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. De asielaanvraag van eiser is bij het bestreden besluit namelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep richt zich daarom mede tegen het bestreden besluit.

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag

Beoordeling en conclusie
3. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van eiser, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3348).
Proceskosten
4. Niet in geschil is dat verweerder niet tijdig op de asielaanvraag heeft beslist en dat het besluit pas is genomen nadat eiser voor de tweede keer beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit had ingesteld. Op het moment van het instellen van dit beroep (op 4 februari 2025) was de rechterlijke dwangsom weliswaar nog niet volgelopen, maar nadat de rechterlijke dwangsom wél was volgelopen (op 25 februari 2025) had verweerder nog geen besluit genomen. Dat volgde pas op 27 mei 2025. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, mede gezien de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:190, aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met dit beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beroep tegen het bestreden besluit

De asielaanvraag
5. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft op 24 maart 2023 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
6. Uit (op 24 maart 2023 uitgevoerd) onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser met ingang van 12 oktober 2018 internationale bescherming heeft gekregen in Griekenland.
Het bestreden besluit
7. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Verweerder stelt dat eiser, gelet op zijn asielstatus in Griekenland, een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Verweerder stelt verder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
De beroepsgronden
8. Eiser voert aan dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser nog internationale bescherming heeft in Griekenland. Verder voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Griekenland, anders dan verweerder stelt, terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Het oordeel van de rechtbank
Heeft eiser nog internationale bescherming in Griekenland?
9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2441) volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie van een andere lidstaat, zoals een Eurodac-resultaat. Daarvoor geldt wel dat het tijdsverloop sinds het onderzoek in het Eurodac-systeem beperkt dient te zijn en dat uit de informatie duidelijk wordt wat de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling bij terugkeer is. Indien het resultaat uit het Eurodac-onderzoek onvoldoende actueel is dan wel onvoldoende verblijfsrechtelijke informatie over de vreemdeling bevat, dient verweerder nader onderzoek te doen naar de vraag of de vreemdeling nog steeds over een door de desbetreffende lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning dan wel een andere toestemming tot verblijf beschikt.
10. De informatie waar verweerder het bestreden besluit op heeft gebaseerd, te weten het Eurodac-resultaat van 24 maart 2023 waaruit blijkt dat Griekenland aan eiser internationale bescherming heeft verleend, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende actueel. Op het moment van het bestreden besluit was deze informatie namelijk al ruim twee jaar en twee maanden oud. Gelet hierop kon verweerder er in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek (in Eurodac of bij de Griekse autoriteiten) van uitgaan dat eiser nog steeds internationale bescherming in Griekenland heeft.
11. Het standpunt van verweerder dat een verleende internationale beschermingsstatus pas eindigt als die status na een individuele beoordeling wordt ingetrokken of niet wordt verlengd (zie de Afdelingsuitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253), dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat de Griekse autoriteiten een dergelijke individuele beoordeling hebben verricht en dat eiser dat niet heeft gedaan, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Deze vlieger gaat naar het oordeel van de rechtbank pas op als de informatie waarop verweerder zich baseert voldoende actueel is, en dat is hier niet het geval. Pas als uit voldoende actuele informatie volgt dat een vreemdeling internationale bescherming in een andere lidstaat heeft, is het aan de vreemdeling om het tegendeel aannemelijk te maken. Bovendien geldt dat de Afdeling in meerdere uitspraken (bijvoorbeeld de uitspraken van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3537 en ECLI:NL:RVS:2019:3538, en van 28 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627) heeft geoordeeld dat voor Griekenland op een flink aantal gebieden niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet hierop had verweerder moeten motiveren waarom op dit punt (meer concreet: de naleving van artikelen 16 en 19 van de Kwalificatierichtlijn) voor Griekenland nog wel kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat heeft verweerder niet gedaan. Het standpunt van verweerder dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn Griekse vergunning is verlengd tot 2027/2028 leidt evenmin tot een ander oordeel. Deze verklaring van eiser is gebaseerd op informatie uit zijn tijd in Griekenland. Nu eiser Griekenland in maart 2023 heeft verlaten, is ook deze informatie onvoldoende actueel.
12. Nu verweerder het onder 10. bedoelde nader onderzoek (in Eurodac of bij de Griekse autoriteiten) niet heeft verricht en zich in het bestreden besluit heeft gebaseerd op onvoldoende actuele informatie, heeft verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser nog internationale bescherming in Griekenland heeft, zoals artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voorschrijft. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt.
Zal eiser bij terugkeer naar Griekenland terechtkomen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest?
13. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet (zie hierover overwegingen 9 tot en met 12). Deze discretionaire bevoegdheid wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het eerste lid van artikel 3.106a van het Vb volgt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de beginselen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering zal worden behandeld.
14. Het uitgangspunt is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU-Handvest, het Vluchtelingenverdrag, en het EVRM (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
15. Voor Griekenland ligt dit echter anders. Uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627, volgt dat er grote zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders in Griekenland. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan in die uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen. De Afdeling heeft daarom geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en, meer concreet, dat verweerder niet zonder meer ervan uit kan gaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken.
Hieruit volgt dat verweerder in zaken van Griekse statushouders niet zonder meer kan volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar aannemelijk moet maken en deugdelijk moet motiveren dat de Griekse statushouder bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
16. Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in informatiebericht (IB) 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Verweerder heeft in de zaak van eiser IB 2025/20 toegepast.
17. De rechtbank is het met eiser eens dat IB 2025/20 weinig kenbare (nieuwe) informatie bevat ten opzichte van IB 2024/31. Uit IB 2025/20 lijkt te volgen dat verweerder een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan verklaren als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig kan handhaven. Dit ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ is in IB 2025/20 echter niet kenbaar uitgewerkt. In IB 2024/31 stond dit ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ ook al en daarin is dit criterium wél nader uitgewerkt. In IB 2024/31 staat in dit verband dat het (onder meer) mogelijk is de asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk te verklaren als uit het gehoor duidelijk blijkt dat de vreemdeling in het bezit is van zijn verblijfsvergunning (de ADET), het belastingnummer en het sociaal zekerheidsnummer én in Griekenland onderdak en voorzieningen had én die opnieuw kan verkrijgen. Deze uitwerking van het ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ was gebaseerd op de uitkomsten van het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ van 24 juni 2022 (zie vooral hoofdstuk 6.1 van dat verslag). Het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ van 3 september 2024 (zie vooral hoofdstuk 5.1. van dat verslag) schetst naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld van de situatie van naar Griekenland terugkerende statushouders. Ook uit dit tweede verslag blijkt namelijk, net als uit het eerste verslag en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Van een verbetering van de situatie van terugkerende statushouders blijkt naar het oordeel van de rechtbank dan ook allerminst. Het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ biedt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen enkel aanknopingspunt om het ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ anders te benaderen en in te vullen dan onder IB 2024/31. Gelet hierop, en bij gebreke van een kenbare – laat staan deugdelijk gemotiveerde – uitwerking van dit criterium in IB 2025/20, zal de rechtbank het ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ in deze zaak toepassen op de wijze zoals dit in IB 2024/31 is uitgewerkt. Dit betekent dat verweerder in deze zaak aannemelijk moet maken en deugdelijk moet motiveren dat eiser in het bezit is van zijn verblijfsvergunning, belastingnummer en sociaal zekerheidsnummer én in Griekenland onderdak en voorzieningen had én die opnieuw kan krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hier niet in geslaagd. Dit legt de rechtbank hierna uit.
18. Ten aanzien van de vraag of eiser bij terugkeer naar Griekenland in het bezit is van zijn verblijfsvergunning, belastingnummer en sociaal zekerheidsnummer overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens zijn gehoren inderdaad verklaard, zoals verweerder stelt, dat hij in Griekenland een verblijfsvergunning had en ook een belastingnummer en sociaal zekerheidsnummer. Eiser heeft echter ook verklaard dat hij deze documenten nu niet meer heeft en dat hij zijn codes niet kent (p. 15 aanvullend gehoor). Dat eiser niet meer de beschikking heeft over deze documenten en codes is door verweerder niet betwist, maar verweerder heeft dit gepareerd met het standpunt dat het voor eisers eigen rekening en risico komt dat hij deze documenten heeft weggemaakt en dat niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk is om deze documenten opnieuw te verkrijgen (p. 3 voornemen). Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat het eiser verweten kan worden dat hij zijn Griekse documenten heeft weggemaakt, maar dit laat onverlet dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken en deugdelijk te motiveren dat eiser bij (of kort na) terugkeer in Griekenland in het bezit is van zijn verblijfsvergunning, belastingnummer en sociaal zekerheidsnummer. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft namelijk niet kenbaar betrokken dat uit het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (p. 17, 18 en 62) blijkt dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang zijn (maanden tot meer dan één jaar) en dat statushouders gedurende de wachttijd geen bewijs van rechtmatig verblijf krijgen, terwijl dat nodig is om toegang te kunnen krijgen tot werk, medische zorg en huisvesting. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij (of kort na) terugkeer in Griekenland in het bezit is van zijn verblijfsvergunning, belastingnummer en sociaal zekerheidsnummer.
19. Ten aanzien van de vraag of eiser in Griekenland onderdak heeft gehad en dit opnieuw kan verkrijgen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft tijdens zijn gehoren verklaard dat hij in Griekenland onderdak heeft gehad, eerst met zijn (inmiddels ex-)partner en hun zoon en later bij zijn broer. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat eiser in Griekenland enige tijd onderdak heeft gehad. Verweerder dient echter ook aannemelijk te maken en deugdelijk te motiveren dat eiser bij terugkeer naar Griekenland opnieuw onderdak zal hebben. Dat heeft verweerder niet gedaan. De enkele stelling van verweerder dat het eiser eerder ook is gelukt om huisvesting te krijgen en dat niet is gebleken dat het voor hem onmogelijk is om opnieuw huisvesting te krijgen, acht de rechtbank hiertoe ontoereikend. Eiser heeft ter zitting, desgevraagd, verklaard dat hij de woning die hij samen met zijn (inmiddels ex-)partner en hun zoon had gekregen maar één jaar mocht houden, dat hij na dat jaar met zijn (inmiddels ex-)partner en hun zoon in een soort tent in een park heeft ‘gewoond’ en dat zijn broer en nichtje ook in deze tent verbleven. Hieruit volgt dat eiser na één jaar geen woning in Griekenland meer had. Dat heeft verweerder niet betrokken. Verder heeft verweerder niet betrokken dat eiser heeft verklaard dat er in Griekenland geen mensen meer wonen bij wie hij zou kunnen verblijven; zijn ex-partner is volgens eiser inmiddels getrouwd en samenwonend met een andere man, en zijn broer verblijft inmiddels in Nederland. Verweerder heeft er verder nog op gewezen dat eiser mogelijk via het Helios-programma of via één van de kleinere programma’s in aanmerking kan komen voor een woning, maar eiser heeft er in reactie hierop terecht op gewezen dat hij niet in aanmerking komt voor het Helios-programma, omdat hij al langer dan twaalf maanden geleden een positief asielbesluit heeft ontvangen (zie p. 33, 44 en 62 van het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’). Verweerder heeft verder niet inzichtelijk gemaakt op welke kleinere programma’s hij dan doelt en niet aannemelijk gemaakt dat eiser daar wel een beroep op zal kunnen doen. Verder heeft verweerder hierbij niet betrokken dat eiser niet meer beschikt over zijn Griekse vreemdelingendocument en dat hij zonder dit document geen toegang heeft tot huisvesting (p. 62 van het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’). Gelet op het voorgaande heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland weer onderdak zal krijgen.
20. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit verder nog op het standpunt gesteld dat eiser eerder in Griekenland heeft gewerkt en dat niet is gebleken dat hij bij terugkeer niet opnieuw zou kunnen werken. Hierover overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verklaard dat hij in Griekenland twee of drie dagen per week werkte en dat hij die dagen 12 uur per dag werkte. Hij verdiende hier € 20,- per dag mee. De rechtbank kan eiser volgen in zijn stelling dat dit niet als reguliere arbeid is aan te merken, maar meer neigt naar arbeidsuitbuiting. Deze verklaring past ook in het beeld dat naar voren komt uit het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (zie p. 41). Verweerder kan niet van eiser verlangen dat hij bij terugkeer naar Griekenland weer een dergelijke arbeidsverhouding aangaat. Verweerder heeft verder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij of kort na terugkeer naar Griekenland deel kan nemen aan de reguliere arbeidsmarkt. Ook daarvoor is nodig dat eiser over zijn verblijfsvergunning en andere documenten beschikt en verder volgt uit het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (zie p. 40 en 62) dat de werkloosheid onder statushouders heel erg hoog is. Voorts heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer in Griekenland in aanmerking kan komen voor sociale voorzieningen, zoals een bijstandsuitkering. Gelet op het voorgaande berust verweerders standpunt dat eiser in Griekeland kan werken of een beroep kan doen op sociale voorzieningen evenmin op een deugdelijke motivering.
21. Gelet op het al het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, zoals artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb voorschrijft. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt eveneens.
Conclusie en gevolgen
22. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
23. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat verweerder, die geen verweerschrift heeft ingediend en niet op zitting is verschenen, de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om te bepalen of hij de gebreken wil herstellen dan wel wil overgaan tot inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, nu niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel zal krijgen in zijn zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op de asielaanvraag te nemen.
24. De rechtbank draagt verweerder dan ook op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Daarbij dient verweerder de volgende aanwijzingen in acht te nemen.
  • Indien verweerder de asielaanvraag van eiser opnieuw niet-ontvankelijk wil verklaren, dan moet verweerder allereerst nader onderzoek doen in Eurodac of bij de Griekse autoriteiten naar de verblijfsstatus van eiser in Griekenland. Daarnaast moet verweerder, met inachtneming van overweging 17 en verder, aannemelijk maken en deugdelijk motiveren dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Indien verweerder deze route wil bewandelen, dan dient hij binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.
  • Indien verweerder de asielaanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling neemt, dan dient hij binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat er al een nader gehoor en een aanvullend gehoor met eiser heeft plaatsgevonden waarin hij over zijn inhoudelijke asielmotieven is gehoord.
Proceskosten
25. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van de beroepsgronden en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.