ECLI:NL:RBDHA:2025:2524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een verblijfsvergunning regulier op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, waarna eiser bezwaar maakte dat eveneens werd afgewezen. Eiser stelde in beroep dat hij onder Besluit 1/80 valt als Turkse werknemer of gezinslid en dat zijn privé- en familieleven in Nederland beschermd moeten worden op grond van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat eiser nog in Nederland woont en dus procesbelang heeft. Ten aanzien van het familieleven oordeelde de rechtbank dat eiser geen bijkomende elementen van afhankelijkheid met zijn ouders heeft aangetoond, zoals financiële of medische afhankelijkheid, en dat samenwoning onvoldoende is om dit te concluderen.
Wat betreft het privéleven overwoog de rechtbank dat verweerder een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, waarbij rekening is gehouden met het langdurige verblijf van eiser in Nederland, maar ook met het feit dat eiser geen bijzondere sterke binding met Nederland heeft aangetoond en dat hij zich niet aan de regels hield bij het drijven van een onderneming. De sterke banden met Turkije en het ontbreken van een familieleven met zijn ouders in Nederland maakten dat het beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.