ECLI:NL:RBDHA:2025:2713
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling ongegrond verklaard
Eiser, een Tunesische vreemdeling, was vanaf 28 juli 2024 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Na een korte onderbreking werd de maatregel op 11 augustus 2024 opnieuw opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest. Uit eerdere uitspraken bleek dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richtte zich daarom op de periode vanaf 6 januari 2025 tot de opheffing van de bewaring op 20 januari 2025.
Eiser voerde aan dat de overheid onvoldoende voortvarend had gewerkt aan zijn vertrek, dat er geen verzwaarde belangenafweging binnen 180 dagen had plaatsgevonden en dat er geen zicht was op uitzetting. De rechtbank concludeerde dat de termijn van zes maanden niet was overschreden, dat rappellering op zaaksniveau had plaatsgevonden en dat regelmatig vertrekgesprekken werden gevoerd. De belangenafweging die leidde tot de opheffing van de bewaring was voldoende.
De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van onrechtmatigheid en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er was ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.