Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen
VOF [eiseres] , uit [plaats] , eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
- welk loon in de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 aan deze werknemers is betaald;
- welke vakantiebijslag in de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 mei 2021 aan hen is voldaan; en
- hoeveel uren deze werknemers daadwerkelijk hebben gewerkt in de periode van 1 maart 2021 tot en met 31 augustus 2021 (hierna: de vordering).
(ex-)medewerkers en dat de inspecteurs naar aanleiding hiervan een boeterapport hebben opgemaakt. In het boeterapport staat op de pagina’s 11 tot en met 30 duidelijk voor elk van de tien (ex-)werknemers welke gevorderde bescheiden zij heeft verstrekt en/of welke gegevens nog ontbreken. Zowel uit het voornemen, het boeterapport als de besluitvorming is duidelijk dat eiseres haar administratie – voor zover het deze tien werknemers betreft – niet op orde had. Zo is niet duidelijk hoeveel uren zij precies hebben gewerkt en wat er aan salaris en vakantiebijslag is betaald. Dit is verder ook niet in geschil. Dat de formulering ‘niet of niet tijdig verstrekken’ ruimte zou geven voor onduidelijkheid volgt de rechtbank dan ook niet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
€ 647,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 647,- met een wegingsfactor 1).
(1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1). Daarnaast dient verweerder het griffierecht vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de boete is vastgesteld op
- herroept het primaire besluit in zoverre;
- bepaalt dat het bedrag van de boete wordt vastgesteld op € 41.681,25 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in de bezwaarfase tot een bedrag van € 1.294,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres in de beroepsfase tot een bedrag van € 1.814,- en
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.