ECLI:NL:RBDHA:2025:8837

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
21 mei 2025
Zaaknummer
NL25.575
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6:20 AwbArt. 29 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verzoek bestuurlijke heroverweging verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende in januari 2019 een eerste asielaanvraag in op grond van zijn homoseksuele geaardheid, welke door de minister in juni 2021 werd afgewezen wegens onvoldoende geloofwaardigheid van zijn verklaring. Na een opvolgende aanvraag in maart 2023, waarin eiser zijn identiteitsgroei toelichtte en ondersteunde met verklaringen en rapportages, verleende de minister in september 2024 alsnog een verblijfsvergunning.

Eiser verzocht in oktober 2024 om heroverweging van het oorspronkelijke afwijzingsbesluit met terugwerkende kracht tot de datum van de eerste aanvraag. De minister wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, stellende dat geen sprake was van nieuw gebleken feiten of omstandigheden omdat eiser zijn motief ook in de eerste procedure had kunnen onderbouwen.

De rechtbank oordeelt echter dat de verklaringen en rapportages die eiser in de opvolgende procedure aanvoerde, feitelijk al ten tijde van de eerste aanvraag speelden en dat de minister ten onrechte artikel 4:6 Awb Pro toepaste. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigt het besluit en beveelt een nieuwe inhoudelijke beoordeling door de minister, waarbij ook de mogelijkheid van een terugwerkende verblijfsvergunning moet worden onderzocht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet de aanvraag inhoudelijk opnieuw beoordelen met mogelijke terugwerkende kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.575

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek tot bestuurlijke heroverweging van eiser van 10 oktober 2024 met het bestreden besluit van 27 februari 2025. Eiser heeft beroep ingesteld wegens niet tijdig beslissen op zijn verzoek en nadat de minister alsnog heeft beslist is eiser het niet eens met de afwijzing daarvan. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek tot heroverweging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk is en het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft eerder, namelijk op 29 januari 2019 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig geacht, omdat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn gevoelens, persoonlijke belevingen, gedachten en proces van acceptatie. Een rapport van de Stichting LGBT Asylum Support van 4 januari 2022 van S. Kortekaas is vanwege het te laat inbrengen voor de zitting niet betrokken bij de beoordeling. Het door eiser ingesteld beroep tegen het besluit van 30 juni 2021 is bij uitspraak van 4 juli 2022 door deze rechtbank ongegrond verklaard. [1] De Afdeling [2] heeft op 7 oktober 2022 de uitspraak van de rechtbank bevestigd [3] en het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard. Daarmee staat het besluit van 30 juni 2021 in rechte vast.
2.1.
Eiser heeft op 29 maart 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij, onder verwijzing naar onder andere het eerder vermeld rapport van LGBT Asylum Support van 4 januari 2022 en verklaringen van derden, gesteld dat sprake is van identiteitsgroei. Eiser doelt daarmee, desgevraagd, op zijn gedrag, emoties en seksuele gerichtheid en dat hij daarmee nu heel anders omgaat dan in Nigeria. [4] Eiser heeft op
18 september 2024 een gehoor opvolgende aanvraag gehad. Daarin is door eiser, voorzover relevant en kort samengevat, verklaard dat hij ten tijde van zijn vorige procedure niet goed heeft verklaard en dat dat komt omdat hij een introvert persoon [5] is en dat hij nu meer, beter en openlijker over zijn gevoelens met betrekking tot zijn homoseksuele geaardheid kan praten. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser tijdens het gehoor onder andere gewezen op ondersteuningsverklaringen van derden, een Nigeriaans krantenartikel waarin eiser persoonlijk wordt genoemd, foto’s met de voorzitter van LGBT Asylum Support en Gay Pride in Amsterdam en op een boek ‘Niet Gay Genoeg, de naakte Waarheid- The Naked Thruth’ gepubliceerd in 2022, waaraan eiser samen met anderen, een bijdrage heeft geleverd, onder begeleiding van de heer S. Kortekaas. Door een bijdrage te leveren aan dit boek, zo verklaart eiser, heeft hij een manier gevonden om te praten over zijn genderidentiteit, over waar hij vandaan komt en over hoe zijn leven hier in Nederland is. Door het meeschrijven kan eiser in de openbaarheid treden en kan hij openlijk over zijn oriëntatie praten. Dat heeft eiser geholpen om zijn angst te reduceren. Eiser voelt zich ook vrij om gayclubs te bezoeken. [6] Eiser heeft ook verklaard dat de manier waarop hij zijn verhaal vertelde en de emoties daarachter niet terug vond ten tijde van het gehoor van de vorige procedure. [7] Eiser heeft ook verklaard een bijdrage te hebben geleverd aan evenementen en een vergadering met politieke partijen bij de Europese verkiezingen. [8]
3. Bij besluit van 30 september 2024 heeft de minister eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw [9] , geldig van 3 april 2023 tot 3 april 2028.
4. Op 10 oktober 2024 heeft eiser een verzoek om heroverweging van het besluit van 30 juni 2021 ingediend, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021. [10] Eiser heeft zich reeds in de vorige procedure beroepen op zijn homoseksuele geaardheid maar die is toen niet geloofwaardig geacht. Eiser wijst erop dat zijn identiteitsgroei als homoseksueel, thans door de minister geloofwaardig bevonden, alleen kan hebben plaatsgevonden omdat hij ten tijde van de indiening van zijn eerste asielaanvraag al homoseksueel was. Daarom dient de minister hem een vergunning te verlenen met ingang van 29 januari 2019, zijnde de datum van de eerste asielaanvraag.
4.1.
De minister heeft met het bestreden besluit het verzoek tot heroverweging afgewezen. Een heroverwegingsverzoek kan alleen worden behandeld bij nieuw gebleken feiten en omstandigheden, volgende uit artikel 4:6 van Pro de Awb. [11] Eiser heeft weliswaar nieuwe documenten en verklaringen aangedragen om zijn asielmotief te onderbouwen maar zijn asielmotief had hij in de vorige procedure ook op een andere manier kunnen onderbouwen en aannemelijk maken. Daarom is geen sprake van nieuw gebleken feiten en/of omstandigheden. De minister verwacht van eiser dat hij met verklaringen zijn relaas omtrent zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken. In de vorige asielprocedure is eiser daarin niet geslaagd, terwijl dat toen al had gekund en ook gemoeten. De minister heeft in de vorige procedure daarom overwogen dat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft in zijn gevoelens en gedachtegang omtrent zijn gerichtheid en dat oordeel staat in rechte vast. Het is de minister niet gebleken, op basis van de informatie die zij ten tijde van de eerste aanvraag had, dat zij tot een ander oordeel had moeten komen. De enkele stelling dat eiser een introverte persoonlijkheid heeft, is onvoldoende om te concluderen dat eerder niet van hem verwacht had mogen worden uitgebreider te verklaren. Er is enkel gesteld en niet nader onderbouwd dat het voor eiser onmogelijk was om tijdens de voorgaande procedure gedetailleerder en uitgebreider te verklaren. In het verweerschrift is gewezen op het informatiebericht 2025/6. De toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb is ook niet evident onredelijk.
4.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek, nadat hij de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld had en 14 dagen waren verstreken. Het beroep heeft gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op het bestreden besluit.
4.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
4.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen.
Standpunt eiser
5. Eiser kan zich niet vinden in het bestreden besluit en stelt dat de afwijzing van het verzoek tot heroverweging niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser stelt dat door de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb miskend is dat eiser in zijn eerdere procedure, vanwege zijn introverte persoonlijkheid, niet in staat was om zijn gedachtegang over zijn geaardheid goed onder woorden te brengen. Hij is over zijn angst heen gestapt en heeft een identiteitsgroei doorgemaakt waardoor hij bij de opvolgende aanvraag, naast de door hem overgelegde ondersteunende verklaringen wel in staat is geweest om geloofwaardig te verklaren over zijn geaardheid. Daarom is de opvolgende aanvraag ook ingewilligd. De identiteitsgroei is bij de besluitvorming betrokken, dat is een novum en is inhoudelijk beoordeeld. Een verzoek om heroverweging kan ook leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een ingangsdatum voor de datum van dat verzoek ook als pas uit later bekend geworden informatie volgt dat een vreemdeling al eerder voldeed aan de vereisten van een verblijfsvergunning. Artikel 44, tweede lid, van de Vw staat daaraan niet in de weg. De identiteitsgroei als homoseksueel, is nu bij de opvolgende asielaanvraag geloofwaardig geacht. De identiteitsgroei kan alleen hebben plaatsgevonden omdat eiser ten tijde van de eerste asielaanvraag al homoseksueel was. Dat de besluitvorming in de eerste procedure in rechte vaststaat, doet hier niet aan af. Niet valt in te zien dat het rechtszekerheidsbeginsel hieraan in de weg staat. Het belang van eiser is ermee gediend dat de asielvergunning ingaat op de datum waarop eiser aan de vereisten voor vergunningverlening voldeed. Dan weegt het belang van de minister, om eerdere besluitvorming niet opnieuw ter discussie te hoeven stellen, minder zwaar.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen
6. Met het bestreden besluit heeft de minister alsnog op het verzoek van eiser beslist. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.
Heeft de minister het verzoek om heroverweging mogen afwijzen en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning juist vastgesteld?
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de minister bij een verzoek om bestuurlijke heroverweging de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning moet afstemmen op de datum waarop de vreemdeling aan alle vereisten voldoet. [12] Daarbij geldt dat een verzoek om bestuurlijke heroverweging kan leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning met een eerdere ingangsdatum dan de datum van het verzoek om bestuurlijke heroverweging. Zo heeft de Afdeling in een uitspraak van 7 juli 2021 eveneens geoordeeld dat als een vreemdeling een IMMO-rapportage overlegt waaruit blijkt dat hij al ten tijde van de eerdere asielaanvraag voldeed aan de vereisten voor een verblijfsvergunning, het verzoek om bestuurlijke heroverweging met ingang van de eerdere aanvraag dient te worden ingewilligd. Dit geldt ook als het rapport pas ná de afwijzing van de eerdere asielaanvraag is opgesteld. [13]
7.1.
In de toelichting op artikel 4:6 van Pro de Awb [14] staat ten aanzien van nieuw gebleken feiten het volgende weergegeven: van nieuw gebleken feiten of omstandigheden is sprake als deze feiten en omstandigheden na het eerdere besluit zijn voorgevallen of niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd [15] , alsmede als het gaat om bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.
7.2.
Ter zitting is door de gemachtigde van de minister, desgevraagd, meegedeeld dat de inhoud van de verklaringen van eiser, zoals door hem afgelegd ten tijde van het gehoor opvolgende aanvraag op 18 september 2024, hiervoor onder 2.1. vermeld, de aanleiding was om over te gaan tot het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning asiel.
7.3.
De erkenning van een vluchtelingenstatus is declaratoir van aard. Dat eiser bij zijn eerste asielaanvraag niet overtuigend heeft verklaard over zijn gevoelens en gedachtegang omtrent zijn geaardheid laat onverlet dat hij op een later moment aannemelijk kan maken dat hij ten tijde van de eerste aanvraag wel degelijk voldeed aan de vereisten voor erkenning als vluchteling en daarmee ook aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.
7.4.
In de eerste asielprocedure is in de uitspraak van 4 juli 2022 door deze rechtbank geoordeeld dat de minister de seksuele geaardheid van eiser niet geloofwaardig heeft mogen achten, omdat de verklaringen van eiser omtrent zijn gevoelens en gedachtegang onvoldoende inzicht boden in zijn acceptatieproces omtrent zijn geaardheid. Eiser heeft in de toelichting bij zijn opvolgende aanvraag aangegeven dat hij identiteitsgroei heeft doorgemaakt en dat de vaagheden in zijn verklaringen in de eerdere procedure werden veroorzaakt door angst. Een onderbouwing hiervan ziet de rechtbank ook in het door eiser overgelegd rapport van LGBT Asylum Support van 4 januari 2022. [16] Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister, desgevraagd, ook aangegeven dat voornoemd rapport mede ondersteunend is geweest voor het alsnog geloofwaardig achten van eisers seksuele geaardheid en daarmee ook voor het inwilligen van eisers opvolgende asielaanvraag.
7.5.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde gesteld dat er een vergelijking kan worden gemaakt met de beoordeling bij een bekering en een daarna opvolgende aanvraag waarin wordt gesteld dat sprake is geloofsgroei (terwijl in een eerste asielprocedure de bekering niet geloofwaardig is geacht en dat oordeel in rechte vaststaat).
7.6.
De rechtbank kan zich vinden in de door eiser gemaakte vergelijking. De minister moet in een opvolgende procedure over geloofsgroei de als nieuw aangedragen elementen en bevindingen beoordelen in samenhang (procedure overstijgend) met wat de vreemdeling in de voorgaande procedure over de gestelde bekering heeft aangevoerd. Dit moet de minister niet alleen doen als in de voorgaande procedure sprake was van een zogenoemde ‘onvoltooide’ bekering, maar ook als zij het destijds in het geheel niet geloofwaardig vond dat de vreemdeling was bekeerd. Gegevens over geloofsgroei kunnen namelijk een ander licht werpen op wat de vreemdeling eerder heeft verklaard. [17] Eiser stelt terecht dat gegevens over identiteitsgroei, waarbij zijn verklaringen ten tijde van het opvolgende gehoor op
18 september 2024 een grote rol hebben gespeeld, ook een ander licht hebben doen werpen op wat hij eerder heeft verklaard en er uiteindelijk zelfs toe hebben geleid dat zijn opvolgende asielaanvraag is ingewilligd.
7.7.
Het vorenstaande maakt, naar het oordeel van de rechtbank, dat, anders dan de minister heeft overwogen, de verklaringen van eiser in het opvolgende gehoor alsmede de rapportages en overgelegde stukken aangemerkt moeten worden als een onderbouwing van feiten en omstandigheden die al ten tijde van de vorige procedure speelden. Dit betekent dat de minister ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb door te stellen dat geen sprake is van een nieuw gebleken feit of omstandigheid. De minister dient alsnog de afwijzing van de eerste asielaanvraag inhoudelijk te heroverwegen. Daarbij dient de minister ook te onderzoeken of eiser reeds vanaf 29 januari 2019 voldeed aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning en of eiser gelet op zijn persoonlijke omstandigheden de bedoelde onderbouwing niet vóór het eerdere besluit kon en daarom ook niet behoorde aan te voeren.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet-tijdig beslissen op het verzoek omdat daar inmiddels op is beslist. Voor zover het beroep is gericht tegen het bestreden besluit, is het gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd.
8.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar;
 verklaart het beroep gegrond, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit;
 vernietigt het bestreden besluit;
 bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL21.11271.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.202204497/1/V2.
4.Zie bld. 19 gehoor opvolgende aanvraag.
5.Zie bld. 17 gehoor opvolgende aanvraag.
6.Zie bld. 1 en bld. 15 en 16 gehoor opvolgende aanvraag.
7.Zie bld. 12 gehoor opvolgende aanvraag.
8.Zie bld. 13 gehoor opvolgende aanvraag.
9.Vreemdelingenwet 2000.
11.Algemene wet bestuursrecht.
12.Zie een drietal uitspraken van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1430, ECLI:NL:RVS:2021:1431 en ECLI:NL:RVS:2021:1432.
14.Zie Tekst & Commentaar Algemene wet bestuursrecht.
15.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:663.
16.Zie bld. 6 van het rapport.
17.Deze lijn is door de Afdeling bevestigd in de uitspraken van 22 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1193 en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2805.