ECLI:NL:RBDHA:2025:9692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL24.42981
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen grensweigering onder Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Eiser is op 30 juni 2024 de toegang tot het Schengengebied geweigerd door de Koninklijke Marechaussee. De minister van Asiel en Migratie handhaafde deze weigering in een besluit van 4 oktober 2024. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar gaf op 2 december 2024 aan dat hij inmiddels bescherming geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.

De rechtbank behandelde het beroep op 27 mei 2025. Eiser stelde dat de minister hem ten onrechte de toegang had geweigerd, omdat hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt en geen bedreiging vormt. Tevens stelde hij dat hij recht heeft op schadevergoeding voor gemaakte kosten en dat een mogelijke registratie van de grensweigering gevolgen kan hebben voor toekomstige reizen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit, omdat hij inmiddels tijdelijke bescherming geniet en het beroep niet kan leiden tot het alsnog verkrijgen van toegang. Ook bleek onvoldoende aannemelijk dat de gestelde schade het gevolg is van het besluit. De mogelijke registratie van de grensweigering en de gevolgen daarvan waren onvoldoende onderbouwd.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, waardoor geen inhoudelijke behandeling plaatsvond en eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de grensweigering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.42981

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Loyenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit om aan eiser de toegang tot het Schengengebied te weigeren. Eiser is het niet eens met deze weigering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 30 juni 2024 heeft de Koninklijke Marechaussee (KMar) eiser de toegang tot het Schengengebied geweigerd. Met het bestreden besluit van 4 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser op 2 december 2024 laten weten dat hij nu in Nederland bescherming geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser voert aan dat de minister geen personen in grensdetentie mag plaatsen die een beroep doen op de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Dit blijkt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 oktober 2024. [2] De minister heeft naar aanleiding van de Richtlijn Tijdelijke bescherming beleid opgesteld, waarbij het verzoek om tijdelijke bescherming automatisch een verzoek om internationale bescherming behelst. In eisers geval had direct vastgesteld kunnen worden dat hij onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. Eiser is immers in het bezit van een biometrisch paspoort en hij is geen bedreiging voor de openbare orde. Volgens eiser had de minister hem daarom van rechtswege toegang moeten verlenen, omdat de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet binnen de grensprocedure had kunnen worden behandeld. Dat staat ook in paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser concludeert dat de minister hem zonder wettelijke basis de toegang tot het Schengengebied heeft geweigerd. Hierdoor heeft hij onnodig extra kosten gemaakt om alsnog in Nederland te kunnen komen. Daarom stelt eiser dat hij recht heeft op schadevergoeding voor de geleden schade. Ter zitting heeft eiser verder aangevoerd dat er mogelijk een registratie is van de weigering aan de grens op 30 juli 2024. Deze weigering heeft mogelijke gevolgen voor toekomstige reisbewegingen van eiser. Hierin is volgens eiser eveneens procesbelang gelegen.
4. De minister heeft in het bestreden besluit overwogen dat eiser bij zijn verzoek om toegang heeft aangegeven als Oekraïense vreemdeling bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming te willen aanvragen. Aan eiser is toen uitgelegd hoe de procedure er in Nederland uit zou gaan zien en dat hij eerst zou worden overgebracht naar het Aanmeldcentrum Schiphol, zodat kon worden beoordeeld of hij aan de voorwaarden voldoet om op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming in Nederland te kunnen verblijven. Hierbij is ook aan eiser uitgelegd dat gedurende dit onderzoek hem tijdelijk de vrijheid zou worden ontnomen. De minister heeft op de zitting erkend dat de Afdeling later heeft geoordeeld dat Oekraïners niet in grensdetentie mochten worden gesteld, maar dat was op dat moment nog niet duidelijk. Bovendien blijft daarbij van belang dat de Richtlijn Tijdelijke Bescherming is gekoppeld aan een asielaanvraag. Eiser had de keuze om een asielaanvraag in te dienen, maar eiser heeft zelf aangegeven van de procedure te willen afzien en hij heeft vervolgens zijn aanvraag om bescherming ingetrokken. Volgens de minister is dus terecht geconcludeerd dat eiser niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed.
Procesbelang
5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit niet het geval is en legt dit hieronder uit.
6. Er is pas sprake van procesbelang als eiser met de behandeling van het beroep nog kan bereiken wat hij met het instellen van het beroep wilde bereiken en het realiseren van dat resultaat voor hem van feitelijke betekenis is. [3] Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Van procesbelang kan ook sprake zijn als er schade is geleden door het besluit. Dan is wel vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat de gestelde schade daadwerkelijk het gevolg is van het besluit. [4]
7. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels tijdelijke bescherming geniet, zodat met het beroep niet kan worden bereikt dat aan eiser alsnog tijdelijke bescherming wordt verleend. Op grond hiervan is dan ook geen procesbelang aanwezig. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat er eveneens geen procesbelang gelegen is in het corrigeren van een mogelijke signalering vanwege de grensweigering. Ter zitting hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister aangegeven dat het onduidelijk is of er een dergelijke signalering is. De gemachtigde van eiser heeft daarnaast aangegeven dat het onduidelijk is of, en zo ja welke, gevolgen een eventuele signalering heeft voor eiser. Nu zowel het bestaan van de signalering als de mogelijke gevolgen ervan niet nader zijn onderbouwd en de rechtbank evenmin is gebleken welke gevolgen een mogelijke signalering zou kunnen hebben voor eiser, mede gelet op de tijdelijke bescherming die inmiddels aan eiser is verleend, is de rechtbank van oordeel dat op grond hiervan evenmin procesbelang aanwezig is.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser de gestelde geleden schade onvoldoende heeft onderbouwd en daarmee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de geleden schade het gevolg is van het besluit. De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van eiser ligt om de gestelde schade zo concreet mogelijk te onderbouwen. Hierbij is eveneens van belang om, indien nodig, zorg te dragen voor een betrouwbare vertaling van stukken die ter onderbouwing van de schade worden overgelegd. De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de zitting vier stukken heeft overgelegd, met daarbij een vertaling van de stukken via Google Lens. De rechtbank acht een dergelijke vertaling niet voldoende om van de juistheid van de stukken uit te kunnen gaan. Voor zover al van de vertaling kan worden uitgegaan blijkt daarnaast niet uit de stukken dat de kosten voor het vliegticket als ook de kosten voor een retourticket dan wel een mogelijke boete ook daadwerkelijk door eiser zijn gemaakt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat er geen inhoudelijke behandeling van het bestreden besluit plaatsvindt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.