In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 18 juli 2025 waarin werd bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist, waardoor eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, is overschreden en dat het UWV geen besluit heeft genomen na ingebrekestelling. Gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV en de noodzaak van een medisch advies, kwalificeert deze situatie als een bijzonder geval. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van negen weken wordt gehanteerd voor het verrichten van de medische beoordeling en het nemen van het besluit.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere beslistermijn van 30 weken toe te passen, omdat het UWV dit niet voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank legt het UWV op binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 in. Tevens wordt het griffierecht en proceskosten aan eiser toegekend.