In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het UWV op 23 oktober 2025 een besluit genomen waarin eiseres werd afgewezen voor een Ziektewet-uitkering. Eiseres maakte bezwaar, maar het UWV heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. De rechtbank ontving het beroepschrift op 9 maart 2026 en constateerde dat de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, was overschreden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV alsnog binnen negen weken na verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar moet nemen. Vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV, wat een medisch advies noodzakelijk maakt, werd dit als een bijzonder geval aangemerkt. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming werd vastgesteld.
Het UWV kon niet aangeven wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, waardoor de standaardtermijn van negen weken van toepassing bleef. De rechtbank legde een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Tevens werd het betaalde griffierecht en proceskosten van €467 aan eiseres toegewezen. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en in het openbaar op 10 april 2026.