ECLI:NL:RBDHA:2026:10733

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/123
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Den Haag verklaart beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in WIA-herbeoordeling

Zeeman textielSupers B.V. heeft op 22 juli 2025 een herbeoordelingsverzoek ingediend voor een WIA-uitkering van een ex-werkneemster. Omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn van negen weken heeft beslist, stelde eiseres op 6 januari 2026 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. Het UWV heeft een dwangsombeslissing genomen, maar nog geen nieuw besluit genomen. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen.

De rechtbank erkent het capaciteitsprobleem bij verzekeringsartsen als een bijzonder geval, maar wijkt niet af van de eerder vastgestelde termijn van negen weken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV te laat is.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres. De rechtbank behandelt deze zaak zonder zitting en baseert zich op eerdere jurisprudentie over het niet tijdig beslissen door het UWV in medische zaken.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres

([gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. A.A.H. Ibrahim).

Inleiding

1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 22 juli 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 6 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op
14 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op
16 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 15 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen negen weken een besluit bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de reden voor het overschrijden van de beslistermijn is gelegen in het landelijke gebrek aan voldoende capaciteit bij de verzekeringsartsen, waardoor de besluitvorming al geruime tijd ernstig vertraagd.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv verzoekt de rechtbank om een langere termijn van minimaal 40 weken vanaf het moment van ontvangst van het beroep te gunnen voor de afhandeling van het herbeoordelingsverzoek van eiseres. Het Uwv verzoekt de rechtbank dus aan te sluiten bij de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025. [4] Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen. Eiseres verzoekt juist om aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
31 maart 2025. [5]
5.1.
Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent het artsentekort van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [6] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
5.2.
In dit beroep geeft het Uwv in het verweerschrift aan dat nog niet kan worden aangegeven binnen welke termijn er een besluit afgegeven kan worden. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [7] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de kosten in verband met de behandeling van het beroep conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) gedeeltelijk in aanmerking komen voor vergoeding. Omdat deze zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden verzoekt het Uwv slechts een proceskostenvergoeding met wegingsfactor 0,25 toe te kennen. Gelet op de vaste rechtspraak, [8] waaruit volgt dat bij een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door het Uwv gevraagde lagere wegingsfactor toe te passen.
8.1.
De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummer SGR 25/8754, SGR 25/9047, SGR 25/9098, SGR 25/9229, SGR 25/9274, SGR 25/9275, SGR 26/123, SGR 26/128,
SGR 26/129 en SGR 26/9277 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de rechtbank gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [9] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 700,50
(1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een tiende deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 70,05.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 70,05 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966,
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
4.Uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9225.
5.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
6.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
7.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
8.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1374,
9.Zie de bijlage van het Bpb, onderdeel C2.