Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] en [eiseres] , V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de uitspraak van 14 februari 2025 [5] . Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kunnen zij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over hun eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Duitsland. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in geval eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [6]