Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL25.43068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 31 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 3.113 Vb 2000Art. 16 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing asielaanvraag Venezuela wegens ongeloofwaardige verklaringen

Eiser, een Venezolaanse politieke opposant, diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen wegens ongeloofwaardigheid van zijn verklaringen over deelname aan demonstraties en bedreigingen door gewapende groeperingen. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling volgens werkinstructie 2024/6, waardoor het besluit wordt vernietigd.

Desondanks kan de afwijzing in stand blijven omdat de minister het motiveringsgebrek op de zitting heeft hersteld en de overige beroepsgronden falen. De minister acht de documenten die eiser overlegt als vervalst en concludeert dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. De rechtbank bevestigt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn verhaal toe te lichten en dat het nader gehoor zorgvuldig is verlopen.

De rechtbank wijst erop dat het medisch advies geen trauma aantoont dat het verklaringsvermogen van eiser beperkt en dat de minister terecht geen voordeel van de twijfel toekent. De minister heeft de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief terecht verworpen op grond van inconsistenties, gebrek aan objectieve onderbouwing en onlogische verklaringen. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege het motiveringsgebrek, maar de afwijzing blijft gehandhaafd. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, maar de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gerond is vanwege een motiveringsgebrek, maar dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister stelt zich voldoende zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat aan eisers verklaringen over problemen vanwege deelname aan (een) demonstratie(s) geen geloof kan worden gehecht en dat in de wel geloofwaardig geachte verklaringen van eiser geen reden is gelegen om hem een asielvergunning te verlenen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Hieronder staat eerst een weergave van het procesverloop in dit geding (2). Daarna volgt een beschrijving van het asielrelaas (3) en een weergave van het bestreden besluit (4). Dan volgt de beoordeling door de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in op de geloofwaardigheidsbeoordeling conform werkinstructie 2024/6 (5), de zorgvuldigheid van het nader gehoor (6), het vermogen van eiser om te verklaren (7) en de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over problemen vanwege deelname aan een demonstratie (8). Aan het eind (9) staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 september 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening [1] , op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Venezolaanse nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is sinds 2014 lid (geweest) van de politieke en oppositionele partij Primero Justicia en was voorheen lid van de politieke partij Accion. In 2016 en 2017 heeft eiser tussen de 10 en 15 keer deelgenomen aan (vreedzame) protesten tegen de regering van (toenmalig) president Maduro, waarbij hij openlijk (met spandoeken en borden) zijn onvrede uitte over deze regering. Dit soort protesten werden soms op gewelddadige wijze neergeslagen door gewapende groeperingen van Maduro, zoals Tren de Aragua, Tupamaros, de colectivos en de garde. Tijdens een protest op 3 april 2017 is eiser fysiek aangevallen en (met de dood) bedreigd door zo’n gewapende groepering. Eiser is toen opgenomen in het ziekenhuis en heeft bij de autoriteiten aangifte gedaan van wat hem is overkomen. Op 4 april 2017 is eiser naar Chili vertrokken. Ook in Chili is eiser bedreigd door mensen van Maduro, naar eiser vermoedt Tren de Aragua of Tupamaros. Vervolgens is eiser naar Europa vertrokken. Bij terugkeer vreest eiser (als politiek opposant) voor een aanval of een aanslag op zijn leven door gewapende groeperingen van Maduro. Ter onderbouwing van zijn asielaanvraag heeft eiser stukken overgelegd, namelijk een verklaring van lidmaatschap van de partij Primero Justicia, een aangifte bij het Openbaar Ministerie in Venezuela en een medisch rapport.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de asielmotieven (1) identiteit, nationaliteit en herkomst en (2) problemen wegens deelname aan een demonstratie. De verklaringen van eiser over het eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig. Aan de verklaringen van eiser over het tweede asielmotief hecht de minister geen geloof. Daartoe overweegt de minister dat eiser die verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft vervolgens aan de hand van de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) beoordeeld of dit asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw 2000. Het wel geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens de minister niet tot de conclusie dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom wordt hem geen verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, dan wel b, van de Vw 2000. De minister wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond. [2]
De geloofwaardigheidsbeoordeling conform werkinstructie 2024/6
5. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd ingaat op zijn betoog in de zienswijze, onderbouwd met verwijzing naar rechtspraak, [3] dat de gehanteerde geloofwaardigheidsbeoordeling in werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De minister licht in het bestreden besluit ten onrechte niet toe waarom hij het niet eens is met die rechtspraak. Ter verdere onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser in beroep nog naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 8 augustus 2025. [4] Vanwege de toepassing van werkinstructie 2024/6 is in zijn geval geen sprake geweest van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft ook geen beoordeling van het voordeel van de twijfel plaatsgevonden, aldus eiser.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt deels. Eiser voert terecht aan dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het betoog in de zienswijze, onder verwijzing naar rechtspraak, dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die volgt uit werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De minister overweegt daarover in het bestreden besluit immers alleen dat de werkwijze uit werkinstructie 2024/6 is toegepast en dat eiser met zijn zienswijze niet heeft onderbouwd hoe de beoordeling in het voornemen in strijd is met het Unierecht. Dat is geen deugdelijke reactie op dat wat eiser in de zienswijze op dit punt heeft aangevoerd. Vanwege dit motiveringsgebrek vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Dat is het geval. De minister heeft het motiveringsgebrek op de zitting hersteld en de overige beroepsgronden van eiser slagen, zoals hierna zal blijken, niet.
5.2.
Eisers betoog dat de door de minister toegepaste en in werkinstructie 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 juni 2025 en 8 september 2025. [5] Hierin is geoordeeld dat de door de minister toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling, specifiek de stappen 2A en 2B zoals die in werkinstructie 2024/6 worden beschreven, in lijn is met het Unierecht. De rechtbank ziet in de door eiser aangehaalde uitspraken geen aanleiding voor een ander oordeel en ziet evenmin reden om de antwoorden van het Hof van Justitie op de gestelde prejudiciële vragen af te wachten. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister bij de gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling (conform werkinstructie 2024/6) acht heeft geslagen op door eiser overgelegde documenten dan wel het ontbreken daarvan en daarbij de verklaringen van eiser heeft betrokken. Daarmee geeft het bestreden besluit blijk van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en heeft ook een beoordeling plaatsgevonden van de vraag of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegeven.
De zorgvuldigheid van het nader gehoor
6. Eiser betoogt verder dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is ingegaan op wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht over artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) in relatie tot het nader gehoor. De minister moet tijdens een nader gehoor vaagheden, tegenstrijdigheden en andere inconsistenties die op dat moment bij hem bestaan ophelderen voordat hij deze aan eiser kan tegenwerpen. Ook daar waar de minister eiser tegenwerpt dat hij bij de zienswijze met nieuwe verklaringen komt over door hem overgelegde documenten, wijst eiser erop – naast dat dat volgens hem onjuist is – dat het aan de minister is om in het kader van het onderzoek naar de asielaanvraag tijdens het nader gehoor genoegzaam door te vragen.
6.1.
In artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000, dat strekt tot implementatie van artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn, staat – voor zover van belang – dat de vreemdeling tijdens een nader gehoor in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de elementen aan te voeren die nodig zijn voor de onderbouwing van zijn aanvraag. Dit houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gereageerd op wat eiser hierover in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidt de rechtbank af dat de minister een vreemdeling in het voornemen niet mag overvallen met een veelheid aan tegenstrijdigheden en/of inconsistenties waarmee hij de vreemdeling eerder (tijdens een gehoor) niet heeft geconfronteerd. De rechtbank leidt daaruit echter niet af dat alleen tegenstrijdigheden en/of inconsistenties mogen worden tegengeworpen waarmee de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd. [6] In dit geval is eiser in het voornemen (gehandhaafd in het bestreden besluit) slechts één tegenstrijdigheid/inconsistentie tegengeworpen. Bovendien geeft het nader gehoor er blijk van dat de minister eiser met meerdere van zijn daar afgelegde verklaringen heeft geconfronteerd en om uitleg of een toelichting heeft gevraagd, bijvoorbeeld over de geconstateerde verschillen tussen de documenten die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor heeft overgelegd. In de omstandigheid dat eiser met de (enige) tegenstrijdigheid die hem wordt tegengeworpen tijdens het nader gehoor niet is geconfronteerd en om uitleg is gevraagd, ziet de rechtbank dan ook geen reden om de totstandkoming van het bestreden besluit gebrekkig te achten. De conclusie van de minister dat het tweede asielmotief van eiser ongeloofwaardig is, is ook niet op alleen die ene tegenstrijdigheid gestoeld. Daarbij komt nog dat eiser via de correcties en aanvullingen onjuistheden in de gehoren had kunnen aankaarten. Dat heeft hij niet gedaan. Ook heeft eiser met het indienen van een zienswijze de mogelijkheid gehad om te reageren op dat wat hem in het voornemen is tegengeworpen. Daarmee is voldaan aan het vereiste uit artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 dat eiser in de gelegenheid is gesteld om uitleg te geven over onjuistheden in verklaringen. [7] Dat eiser ook met vaagheden en summiere verklaringen moet worden geconfronteerd voordat deze aan hem mogen worden tegengeworpen, leidt de rechtbank uit de regelgeving en rechtspraak niet af. Bovendien geldt ook daarvoor dat eiser de via de correcties en aanvullingen en zienswijze de gelegenheid heeft gehad daar uitleg over te geven. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas toe te lichten en aannemelijk te maken.
Het vermogen om te verklaren
7. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het trauma dat hij heeft opgelopen als gevolg van zijn ervaringen, waardoor hij in zijn verklaringen wordt gehinderd en geremd. Eiser verwijst naar een medische rapportage die hij ter onderbouwing hiervan heeft overgelegd.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat MediFirst een ‘Medisch advies horen en beslissen’ heeft uitgebracht over eiser. Het doel van dit medisch advies is het in kaart brengen van de medische omstandigheden die van invloed zijn op het vermogen van de vreemdeling om coherent, consistent en gedetailleerd te verklaren tijdens de gehoren. In het geval van eiser constateerde MediFirst beperkingen voor het horen van eiser als gevolg van medische klachten. Uit het advies volgt dat eiser opbouw van spanningen en stress ervaart, die zich kunnen uiten in hoofdpijnklachten, en dat eiser vermoeidheidsklachten ervaart. MediFirst gaf als advies om, wanneer eiser emotioneel zou worden, hem de ruimte te bieden voor die emoties, hem iets te drinken aan te bieden en indien nodig – ook vanwege eisers vermoeidheidsklachten – een extra pauze aan te bieden. In het geval van hoofdpijnklachten was het advies om eiser de gelegenheid te geven medicatie in te nemen en, wanneer na een (half) uur de klachten niet zouden zijn verdwenen en eiser aan zou geven het gehoor niet aan te kunnen, het gehoor op een andere dag voort te zetten. Zoals de minister terecht constateert, volgt uit het advies van MediFirst niet dat eiser is getraumatiseerd. Medische stukken waaruit dat wel zou volgen, heeft eiser niet overgelegd. Voor zover eiser wijst op een in Chili opgesteld psychologisch rapport waaruit dit zou blijken, stelt de rechtbank – ook na confrontatie van partijen hiermee op de zitting – vast dat dit stuk geen onderdeel uitmaakt van het dossier. Verder is het nader gehoor afgenomen conform het advies van MediFirst. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een trauma heeft, heeft de minister ook niet hoeven volgen dat eiser is beperkt in het afleggen van verklaringen. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiser verklaart dat het trauma is veroorzaakt door zijn ervaringen in Venezuela, terwijl de minister de verklaringen van eiser over die ervaringen (zoals hierna blijkt niet ten onrechte) ongeloofwaardig acht.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen geloof hecht aan zijn verklaringen over het tweede asielmotief. Daartoe voert eiser aan dat de minister ten onrechte pas in het bestreden besluit stelt dat eiser vervalste documenten zou hebben overgelegd ter onderbouwing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft naar zijn beste vermogen uitleg gegeven over de overgelegde stukken. Eiser meent dat hij met de overgelegde verklaring van Primero Justicia zijn lidmaatschap van die partij aantoont. Verder betoogt eiser dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij onvoldoende overtuigend heeft verklaard over de gewelddadige groepering die hem belaagde. Eiser heeft namelijk verklaard dat het ging om de Tupamaros en de colectivos en hoe hij deze groeperingen heeft herkend. De minister baseert zich volgens eiser ten onrechte alleen op de overgelegde stukken. Eiser wijst er verder op dat hij vanwege zijn lidmaatschap van Primero Justicia onder een risicoprofiel valt. Voor dit laatste verwijst eiser naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 16 september 2025 met landeninformatie over Venezuela, specifiek over de positie van leden van de partij Primero Justicia.
Stap 2A – onderbouwing met documenten
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank concludeert de minister terecht dat eiser zijn verklaringen over het tweede asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dat asielmotief volledig onderbouwen. Eiser heeft ter onderbouwing van het tweede asielmotief een verklaring van lidmaatschap van de partij Primero Justicia, een aangifte bij het Openbaar Ministerie in Venezuela en een medisch rapport overgelegd. Op de zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht dat – conform een nu niet langer gehanteerde werkwijze – Bureau Documenten geen rapport heeft uitgebracht van het onderzoek naar de overlegde stukken, maar intern aan de minister heeft teruggekoppeld dat over de stukken een neutraal advies is uitgebracht. Bureau Documenten heeft geen indicaties dat sprake is van valse documenten, maar kan geen oordeel geven over de echtheid ervan, aldus de minister. [8] De minister merkt de door eiser overgelegde documenten terecht aan als vervalst. Dat standpunt heeft de minister – anders dan eiser stelt – al tijdens het voornemen ingenomen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser een exemplaar van de verklaring van lidmaatschap, de aangifte en het medische rapport overgelegd. Tijdens het nader gehoor legt eiser nogmaals een exemplaar van deze stukken over, waarover de minister terecht opmerkt, en waarmee eiser tijdens dat gehoor ook is geconfronteerd, dat deze op meerdere punten in opmaak zichtbaar afwijken van de exemplaren van diezelfde stukken die eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft overgelegd. [9] Zo wijken de stukken af qua (positie van) stempels en handtekeningen. Nu het volgens eisers verklaringen dezelfde stukken zijn van dezelfde datum die gaan over dezelfde gebeurtenis, valt niet in te zien dat deze in opmaak van elkaar zouden afwijken. De uitleg die eiser heeft gegeven voor de geconstateerde afwijkingen, heeft de minister niet tot een ander standpunt over deze stukken te hoeven brengen. Gelet op de op- en aanmerkingen die de minister bij de betrouwbaarheid van deze stukken terecht plaatst, heeft eiser zijn lidmaatschap van Primero Justicia, de aangifte bij de autoriteiten van Venezuela van wat hem tijdens de demonstratie op 3 april 2017 is overkomen en de gevolgen van de fysieke aanval tijdens die demonstratie niet met authentiek/objectief bewijsmateriaal onderbouwd.
Stap 2B – voordeel van de twijfel
8.2.
Omdat het tweede asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd, heeft de minister overeenkomstig werkinstructie 2024/6 beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om het asielrelaas alsnog geloofwaardig te achten. Dat is volgens de minister niet het geval omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw 2000. Dat standpunt neemt de minister terecht in.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000
8.2.1.
Gelet op de terechte conclusie van de minister dat eiser geen authentieke en/of objectieve of zelfs vervalste, stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas, werpt de minister eiser – althans, zo begrijpt de rechtbank de tegenwerping van de minister – ook terecht tegen dat hij niet alle relevante stukken waarover hij beschikt heeft overgelegd en hij voor het ontbreken daarvan geen bevredigende verklaring heeft gegeven. [10] De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiser door het overleggen van valse documenten het geven van een bevredigende verklaring voor het ontbreken van authentieke stukken ernstig heeft bemoeilijkt. Hoewel de minister dat wel van eiser mocht verwachten, heeft eiser ook geen stukken van betekenis overgelegd waaruit volgt dat hij lid is van of actief is voor een politieke partij, in welke hoedanigheid hij stelt aan de demonstratie op 3 april 2017 te hebben deelgenomen. Dat geldt ook voor dat wat hem naar gesteld is overkomen tijdens die demonstratie en de verklaring dat hij wordt gezocht door groeperingen die voor de autoriteiten of (voormalig) president Maduro werken. De minister heeft zich verder gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom hij eiser niet volgt in zijn verklaringen over de herkomst, verkrijging en hoedanigheid van de wel overgelegde documenten. Eiser zet hier – anders dan wat hiervoor onder 8.1 al is besproken – niets tegenover.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000
8.2.2.
Verder stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over het tweede asielmotief waardoor eiser niet wordt gevolgd in de problemen naar aanleiding van de demonstratie en zijn verklaring dat hij wordt gezocht door een groepering die werkzaam is voor de autoriteiten of (voormalig) president Maduro. De minister overweegt daartoe (kortgezegd) dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband is tussen zijn deelname aan de demonstratie op 3 april 2017 en zijn problemen met de groepering(en) van Maduro. Verder legt de minister daaraan ten grondslag dat eisers verklaring dat een gewapende groepering van (voormalig) president Maduro hem tijdens de demonstratie (her)kende, ongerijmd is, ook omdat eiser stelt tijdens deelname aan eerdere demonstraties geen problemen te hebben ondervonden. Ook betrekt de minister bij zijn standpunt dat eiser niet duidelijk heeft kunnen maken dat het daadwerkelijk ging om de groepering Tupamaros die hem belaagde. Eisers conclusie daarover is gebaseerd op vermoedens. Eiser verklaart bovendien onduidelijk over de groeperingen die zouden zijn gelieerd aan de autoriteiten. Bovendien acht de minister het onlogisch dat eiser demonstreerde tegen de autoriteiten en hij door een daaraan gelieerde groepering zou zijn mishandeld, maar hij wel aangifte doet bij de autoriteiten, terwijl hij ook verklaart te vrezen voor een groepering die voor die autoriteiten werkt. Ook acht de minister eisers verklaringen daarover summier en vaag. De omstandigheid dat eiser zonder problemen heeft kunnen uitreizen uit Venezuela, waarbij zijn paspoort door de autoriteiten is gestempeld, duidt volgens de minister niet op negatieve aandacht van de zijde van de autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat eiser van deze tegenwerpingen alleen bestrijdt dat hij niet overtuigend zou hebben verklaard over de gewelddadige groepering die hem belaagde. Wat eiser daarover (in beroep) verklaart, heeft de minister bij zijn beoordeling betrokken. De minister heeft uitgelegd waarom hij eiser niet in zijn verklaringen volgt. Op die uitleg en waarom die niet deugt of niet volstaat, gaat eiser niet in.
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000
8.2.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daartoe wijst de minister terecht op zijn conclusie dat eiser bewerkte, vervalste documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas en dat eiser een onvoldoende verklaring heeft gegeven waarom hij dat heeft gedaan. [11]
Conclusie
8.3.
Eisers beroepsgronden slagen niet. Gelet op het voorgaande stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat geen geloof kan worden gehecht aan de verklaringen van eiser over zijn problemen vanwege deelname aan de demonstratie. Bij zijn beoordeling heeft de minister zowel de documenten die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd als de verklaringen die eiser heeft afgelegd, voldoende betrokken.
8.3.1.
Omdat de minister geen geloof hecht aan eisers verklaringen, waaronder zijn lidmaatschap van de politieke partij Primero Justicia, komt de minister, en ook de rechtbank, niet toe aan een beoordeling van het risico dat eiser als zodanig bij terugkeer naar Venezuela stelt te lopen. In beroep heeft eiser landeninformatie overgelegd, bij wijze van een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 20 februari 2026, waarin wordt ingegaan op de veiligheidssituatie in Venezuela sinds de invasie van de Verenigde Staten en de arrestatie van president Maduro op 3 januari 2026. De rechtbank volgt het standpunt dat de minister hierover op de zitting heeft ingenomen dat daaruit niet valt af te leiden dat de situatie in Venezuela zodanig is gewijzigd of verslechterd is dat eiser vanwege zijn identiteit, nationaliteit of herkomst dan wel (kennelijk door de minister wel geloofwaardig geachte) deelname aan demonstraties in het verleden te vrezen zou hebben voor vervolging of een reëel risico zou lopen op ernstige schade bij teugkeer. Dat een terugkeer naar Venezuela na enige tijd in het buitenland te hebben verbleven als zodanig een factor is waardoor eiser in negatieve zin zou opvallen en daardoor problemen te verwachten heeft bij terugkeer, valt niet uit de aangedragen landeninformatie af te leiden. Niet is gebleken dat eiser zich negatief heeft uitgesproken over de aanval van de Verenigde Staten. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 6 februari 2026, [12] ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt
€ 1.868 (1 punt voor het instellen van beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Geregistreerd onder zaaknummer NL25.43069.
2.Op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.
3.De prejudiciële vragen die zijn gesteld door zp. ’s-Hertogenbosch en zp. Roermond, ECLI:NL:RBDHA:2025:139 en ECLI:NL:RBDHA:2025:136, en Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3726 en Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.
6.ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182, ABRvS 19 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:679, zijnde de uitspraak op het hoger beroep tegen Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 19 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20737 en ABRvS 14 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2959. Zie ook paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
7.Zie ook ABRvS 19 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:182 en ABRvS 19 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:679.
8.De minister heeft op de zitting toegelicht dat Bureau Documenten alleen de versie van de stukken heeft onderzocht die eiser bij het nader gehoor heeft overgelegd en niet op de hoogte was van door eiser tijdens het aanmeldgehoor overgelegde andere exemplaren van diezelfde stukken.
9.In beroep heeft de minister een dossierstuk aan het rechtbankdossier toegevoegd, wat daarvoor ontbrak, waarin de zes door eiser overgelegde stukken zijn opgenomen.
10.Zie ook paragraaf C1/4.3.2.2 van de Vc 2000.
11.Zie ook paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vc 2000.