ECLI:NL:RBDHA:2026:11523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
25/9299
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-uitkeringszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van het UWV op bezwaar tegen een WIA-uitkeringsbesluit. De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden.

Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakt, wat de rechtbank erkent als een bijzonder geval conform artikel 8:55d lid 3 Awb. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van negen weken wordt gehanteerd voor het verrichten van een medische beoordeling en het nemen van een besluit.

De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere termijn toe te staan, omdat onvoldoende onderbouwing is gegeven. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling te laten plaatsvinden en binnen drie weken daarna een besluit te nemen, met een maximum van negen weken. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Het betaalde griffierecht en proceskosten worden aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken een besluit te nemen en een dwangsom wordt opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9299

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: W. Duysserinck),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: L. Walraven).

Inleiding

1. In het besluit van 18 maart 2024 heeft het Uwv een beslissing genomen over de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van [(ex-)werkneemster] , (ex-)werkneemster van eiseres. In dit besluit staat dat de hoogte van de WIA-uitkering niet wijzigt.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 29 december 2025 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 26 mei 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
3.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat het Uwv alsnog een definitief besluit op het bezwaar bekend moet maken.
3.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat het Uwv kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
3.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
4. Het Uwv verzoekt om bij het bepalen van de beslistermijn de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 in overweging te nemen. [4] Volgens die uitspraken is er gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen sprake van een bijzonder geval, en dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen.
4.1.
Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [5] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
4.2.
In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat het nog niet kan aangeven wanneer een beslissing op bezwaar zal kunnen worden genomen. Het is de rechtbank dus niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
5. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [6] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.Uitspraken van de Rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
6.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.