Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 16 april 2025 waarin zij niet in aanmerking werd geacht voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, is overschreden. Het UWV heeft een dwangsombeslissing genomen, maar nog geen inhoudelijk besluit. De rechtbank oordeelt dat het UWV binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een medisch advies van een verzekeringsarts.
De rechtbank erkent het structurele tekort aan verzekeringsartsen als een bijzonder geval, maar wijkt niet af van de eerder vastgestelde termijnen van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit. Voor elke dag overschrijding van de termijn wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed en wordt het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en Rotterdam over soortgelijke zaken.