Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 18 augustus 2025 waarin werd bepaald dat zij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. De rechtbank ontving het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 27 maart 2026. Het UWV had de beslistermijn overschreden en had geen besluit genomen ondanks ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het UWV niet tijdig heeft beslist. Gezien het medisch karakter van de beoordeling en het structurele tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV, wordt dit als een bijzonder geval aangemerkt. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van negen weken wordt gehanteerd voor het nemen van een besluit na de uitspraak.
Het UWV moet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts laten verrichten en binnen drie weken daarna een besluit nemen, in totaal binnen negen weken. Voor elke dag dat het UWV deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van € 100,- opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt het UWV op alsnog een besluit op bezwaar te nemen binnen de gestelde termijn.