Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 3 april 2025 waarin zij niet in aanmerking werd geacht voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, is overschreden. Het UWV heeft een dwangsombeslissing genomen, maar nog geen inhoudelijk besluit. De rechtbank oordeelt dat het UWV binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van een medische beoordeling door een verzekeringsarts.
De rechtbank erkent het structurele tekort aan verzekeringsartsen als een bijzonder geval, maar wijkt niet af van de eerder vastgestelde termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt.
Het betaalde griffierecht wordt aan eiseres vergoed, maar er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting en het beroep wordt gegrond verklaard.