Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14517

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/9481
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:72a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering boete wegens overschrijding redelijke termijn bij terugvordering toeslag

Eiser ontving een WGA-uitkering en toeslag van het UWV, maar werd een boete opgelegd en een terugvordering ingesteld wegens het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in zijn gezinssituatie en het partnerinkomen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden, maar dat eiser daardoor niet is benadeeld omdat hij in beroep alsnog zijn standpunt kon toelichten. De verjaring van de terugvordering wordt beoordeeld aan de hand van het Burgerlijk Wetboek, waarbij het UWV tijdig is begonnen met terugvorderen.

De procedure duurde ruim twee jaar, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom vermindert de rechtbank de boete met 5%, stelt de boete vast op €5.130,- en handhaaft de terugvordering. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De boete wordt verminderd met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn en vastgesteld op €5.130,-; de terugvordering blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9481

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser. Daarin staat centraal een beslissing van 12 april 2024 tot het opleggen van een boete van € 5.400,- en een beslissing van 15 april 2024 tot terugvordering van een brutobedrag van € 25.840,46 aan te veel door eiser ontvangen toeslag over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2023.
1.1.
Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 15 november 2024 is het Uwv bij deze besluiten gebleven. De bezwaren van eiser zijn ongegrond verklaard. Het besluit op bezwaar wordt door eiser in beroep bestreden, waartoe hij beroepsgronden heeft aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bestreden besluit juist is.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een gebrek bevat. Verder komt de rechtbank in deze uitspraak tot het oordeel dat de lange duur van de procedure aanleiding geeft voor het verminderen van de boete. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

Toekenning WGA-uitkering en toeslag
2. Met het besluit van 29 oktober 2009 heeft het Uwv eiser met ingang van 28 september 2009 een WGA [1] -uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Met het besluit van 16 juni 2010 is eiser met ingang van 28 september 2009 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend. In dat besluit is aan eiser onder het kopje ‘Wat verwachten wij van u?’ onder meer meegedeeld: “
Als uw situatie verandert, kan dat invloed hebben op uw uitkering en uw toeslag. (…) Geef de volgende wijzigingen in ieder geval binnen zeven dagen aan ons door: (…) Veranderingen in uw inkomen (…) Veranderingen in uw gezinssituatie.
Wat het Uwv eiser verwijt
2.1.
Het Uwv verwijt eiser dat hij op twee punten de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. [2]
Wijziging gezinssituatie
2.1.1.
In de eerste plaats heeft eiser nagelaten om aan het Uwv door te geven dat zijn gezinssituatie vanaf 8 november 2022 is gewijzigd. Tot die datum was eiser ongehuwd samenwonend met de zorg voor een kind jonger dan 12 jaar. Van 8 november 2022 tot en met 31 december 2023 was eiser ongehuwd alleenstaand met de zorg voor een kind jonger dan 12 jaar.
Wijziging partnerinkomen
2.1.2.
In de tweede plaats heeft eiser nagelaten om aan het Uwv door te geven dat de inkomsten uit werk van zijn partner in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2021 waren veranderd als gevolg van haar werkzaamheden als zelfstandig ondernemer ( [bedrijfsnaam] ) in die periode.
Informatie van de Belastingdienst
2.1.3.
Het voorgaande is het Uwv gebleken uit informatie die op 29 januari 2024 bij de Belastingdienst is opgevraagd en op 12 februari 2024 door het Uwv is ontvangen.
Voornemen en zienswijze
2.2.
Bij brief van 18 maart 2024 heeft het Uwv aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn de te veel door hem ontvangen toeslag terug te vorderen en hem een boete op te leggen. Het Uwv heeft eiser daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 1 april 2024 te reageren. Bij zienswijze van 28 maart 2024 heeft eiser op het voornemen gereageerd.
Boetebesluit
2.3.
Met het besluit van 12 april 2024 heeft het Uwv eiser een boete opgelegd. Bij de stukken bevindt zich een ‘Motivering subjectief verwijtbaar’ van diezelfde datum van de Dienst Handhaving-Uitvoering (DHH) van het Uwv. Daarin wordt geconcludeerd dat eiser voldoende is ingelicht dat elke wijziging in de situatie die van invloed kan zijn op hoogte van de uitkering en/of toeslag binnen één week doorgegeven moet worden, zoals staat vermeld in het besluit van 16 juni 2010. Er is sprake van subjectieve verwijtbaarheid, aldus het Uwv. Als mate van verwijtbaarheid wordt ‘normaal verwijtbaar (50%)’ toegepast.

Procesverloop

3. Met het bestreden besluit is het Uwv gebleven bij het boetebesluit en het besluit tot invordering van de te veel door eiser ontvangen toeslag.
3.1.
Eiser heeft op 28 november 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
Het Uwv heeft op 3 februari 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.3.
De gemachtigde van eiser heeft zich op 27 februari 2025 aan de zaak onttrokken.
3.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van het Uwv.
3.5.
Eiser is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat eiser door de griffier bij aangetekend verzonden brief van 4 maart 2026 op het adres [adres] onder vermelding van plaats, datum en tijdstip, is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit de gegevens van Track & Trace blijkt dat de brief op 7 maart 2026 op een PostNL pakketpunt is gebracht maar daar niet is afgehaald, zoals ook blijkt uit een sticker op de envelop. Deze brief is op 27 maart 2026 retour ontvangen. Aangezien deze brief overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:38 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) na controle van het adres in de basisregistratie personen (BRP) op 30 maart 2026 per gewone post nogmaals naar voormeld adres is gezonden, is de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig en op het juiste adres aangeboden. Het onderzoek ter zitting heeft daarom doorgang kunnen vinden.

Beoordeling door de rechtbank

Schending van de hoorplicht
4. Eiser voert aan dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. In het verweerschrift heeft het Uwv dat erkend en daarbij aangeboden om eiser alsnog te horen.
4.1.
Ingevolge artikel 7:2 van Pro de Awb heeft een belanghebbende het recht om te worden gehoord, alvorens een bestuursorgaan op het bezwaar beslist. In artikel 7:3 van Pro de Awb zijn de uitzonderingen op de hoorplicht uitputtend opgesomd. Het is vaste rechtspraak dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure vormt. [3] Eiser en zijn gemachtigde hebben niet afgezien van het recht om te worden gehoord, maar hebben integendeel juist daar om verzocht. Van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 7:3 van Pro de Awb, is niet gebleken.
4.2.
Het voorgaande betekent dat sprake is van strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Dit gebrek aan het bestreden besluit zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb worden gepasseerd, aangezien aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Eiser heeft in beroep immers alsnog gelegenheid gehad om zijn standpunt mondeling te verwoorden. [4]
Verjaring vordering
5. Eiser voert verder aan dat, als er al sprake zou zijn van een vordering, een deel daarvan inmiddels is verjaard en dat het Uwv daarmee ten onrechte geen rekening heeft gehouden.
5.1.
Voor de verjaring van een terugvorderingsbesluit moet aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit is vaste rechtspraak. Op grond van artikel 3:309 van Pro het BW verjaart een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling door verloop van vijf jaar na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden. De verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van toeslag begint dus de dag nadat het Uwv bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan duidelijk is dat toeslag zal moeten worden teruggevorderd. [5]
5.2.
Omdat het Uwv vanaf 12 februari 2024 beschikte over de informatie van de Belastingdienst op basis waarvan is vastgesteld dat eiser meer toeslag had ontvangen dan waarop hij recht had, is de verjaringstermijn vanaf die datum gaan lopen. Dat betekent dat het Uwv wat te veel aan toeslag is betaald moet Uwv terugvorderen tenzij er een dringende reden is om van terugvordering af te zien. [6]
5.3.
Het is echter aan eiser om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. [7] Nu eiser niet concreet heeft gemaakt met welke persoonlijke omstandigheden het Uwv rekening had moeten houden en waarom sprake is van dringende redenen, kan reeds daarom niet worden gezegd dat het Uwv blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Het Uwv heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Overschrijding redelijke termijn
6. In geval een boete is opgelegd, wordt ambtshalve getoetst of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. [8] De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd.
6.1.
De procedure heeft vanaf de datum van het kenbaar maken aan eiser van het voornemen tot boeteoplegging op 18 maart 2024 tot de datum van deze uitspraak twee jaar en - afgerond naar boven - drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze procedure is overschreden. Al eerder heeft de CRvB overwogen dat een dergelijke overschrijding aanleiding geeft voor het verminderen van de boete en hoe de vermindering wordt bepaald. [9]
6.2.
In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder, zoals in dit geval. [10] In de overschrijding van de redelijke termijn met ruim drie maanden ziet de rechtbank daarom aanleiding tot een vermindering van de hoogte van de boete met 5%. Dat komt neer op een verlaging met € 270,-.
6.3.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het de hoogte van de boete betreft. De rechtbank zal de boete met toepassing van artikel 8:72a van de Awb vaststellen op € 5.130,-. De terugvordering van de te veel betaalde toeslag blijft wel in stand. [11]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het Uwv moet daarom het griffierecht aan eiser vergoeden.
7.1.
Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de voormalige gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend.
7.2.
Omdat eiser de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de orde heeft gesteld en de rechtbank dit ambtshalve heeft beoordeeld, krijgt eiser geen vergoeding voor eventuele proceskosten ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover het de hoogte van de boete betreft;
  • herroept het boetebesluit van 12 april 2024;
  • stelt het bedrag van de boete vast op € 5.130,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 10 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2559.
4.Zie naast voormelde uitspraak van de CRvB van 10 juli 2015 bijvoorbeeld ook de uitspraak van 5 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:581 en van 14 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:743.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:953, r.o. 4.9.
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
7.Zie de uitspraak van de CRvB van 17 maart 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:379.
8.Zie de uitspraak van de CRvB van 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:151.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657.
10.Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, aangehaald in r.o. 14.6.1 van voormelde uitspraak van de CRvB van 13 november 2018.
11.Vergelijk voormelde uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:151.