Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:379

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/2623 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening, intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht

In deze zaak gaat het om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante over de periode april 2022 tot en met mei 2023. Het college stelde dat appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen niet had gemeld, waardoor zij te veel bijstand ontving. Het terugvorderingsbedrag bedraagt €10.966,66.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante dat de gelden deels aan haar broer toebehoren en dat bijschrijvingen terugbetalingen van leningen of bestemd voor boodschappen voor vrienden zouden zijn. Deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de verklaringen van vrienden achteraf, niet ondertekend en onvoldoende specifiek waren.

De Raad benadrukte dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als inkomen worden beschouwd en op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Appellante slaagde er niet in tegenbewijs te leveren. Ook werden geen dringende redenen voor het afzien van terugvordering aannemelijk gemaakt. De belangenafweging van het college werd als evenwichtig beoordeeld.

Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

24/2623 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024, 24/1998 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Zitting heeft: E.C.E. Marechal
Griffier: C.E.A. Tessemaker
Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
1. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
2. Het gaat in deze zaak om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante op grond van de Participatiewet. De bijstand is over de maanden april 2022 tot en met december 2022 en mei 2023 herzien en over de maand april 2023 ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 10.966,66. Het college heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit). Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de maanden waar het hier om gaat op twee bankrekeningen van appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden hebben plaatsgevonden die appellante niet aan het college heeft gemeld. Daarmee heeft appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden waardoor zij in die maanden te veel of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Er zijn geen dringende redenen gebleken om van terugvordering af te zien.
3. Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Appellante heeft in hoger beroep de beroepsgronden herhaald dat de bijschrijvingen en stortingen geldbedragen zijn die toebehoren aan haar broer, dan wel dat het terugbetalingen betreffen van geldleningen of dat het geldbedragen zijn afkomstig van vrienden en bestemd om voor hen boodschappen te doen. Ook heeft appellante de beroepsgrond herhaald dat het college van terugvordering had moeten afzien in verband met dringende redenen, die gelegen zijn in haar persoonlijke omstandigheden. Deze beroepsgronden slagen om de navolgende redenen niet.
5. Het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat brengt – behoudens tegenbewijs – mee dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. [1] Met de enkele stelling van appellante dat het voor een deel zou gaan om gelden die aan haar broer toebehoren en waarover hij enkel kan beschikken, heeft appellante geen tegenbewijs geleverd.
6. Kasstortingen en bijschrijvingen door derden op een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Als deze een terugkerend of periodiek karakter hebben, aangewend kunnen worden voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, zoals in het geval van appellante, is voorts sprake van inkomsten die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Het ligt dan op de weg van appellante om aannemelijk te maken dat geen sprake is van inkomen. [2] Ook hierin is appellante niet geslaagd. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bijschrijvingen terugbetalingen zijn van gelden die zij zou hebben uitgeleend aan haar twee vrienden of dat deze bijschrijvingen bestemd waren voor boodschappen die zij voor drie vrienden deed. Hiervoor zijn de in bezwaar overgelegde verklaringen van deze vrienden ontoereikend omdat ze achteraf zijn opgesteld, niet zijn ondertekend en onvoldoende specifiek zijn nu daarin geen bedragen en data zijn genoemd.
7. Verder heeft de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 [3] tot uitdrukking gebracht dat een besluit om al dan niet gebruik te maken van de mogelijkheid om wegens dringende redenen van terugvordering af te zien, moet zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Het is aan een betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.
8. Appellante heeft ook in hoger beroep niet concreet gemaakt met welke persoonlijke omstandigheden het college rekening had moeten houden en waarom sprake is van dringende redenen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het college blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging.
9. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) C.E.A. Tessemaker (getekend) E.C.E. Marechal

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1570.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2334.