ECLI:NL:CRVB:2026:379
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening, intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht
In deze zaak gaat het om besluiten tot herziening, intrekking en terugvordering van bijstand van appellante over de periode april 2022 tot en met mei 2023. Het college stelde dat appellante kasstortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekeningen niet had gemeld, waardoor zij te veel bijstand ontving. Het terugvorderingsbedrag bedraagt €10.966,66.
Appellante voerde aan dat de gelden deels toebehoorden aan haar broer en dat sommige bijschrijvingen terugbetalingen waren van leningen aan vrienden of bestemd waren voor boodschappen voor vrienden. Deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt, mede omdat de verklaringen van vrienden achteraf, niet ondertekend en onvoldoende specifiek waren.
De Raad benadrukte dat kasstortingen en bijschrijvingen door derden in beginsel als inkomen worden beschouwd en op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Ook oordeelde de Raad dat het college terecht geen dringende redenen zag om van terugvordering af te zien, omdat appellante geen concrete persoonlijke omstandigheden had aangevoerd.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en wijst het hoger beroep af.