In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering per 20 september 2025 te beëindigen. De rechtbank ontving het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar en constateerde dat het UWV de beslistermijn van negen weken had overschreden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV, vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van een medisch advies, een bijzonder geval betreft zoals bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Daarom werd een termijn van negen weken opgelegd waarbinnen het UWV alsnog een besluit moet nemen, waarbij zes weken zijn gereserveerd voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming.
Het UWV kon niet aangeven wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, waardoor de rechtbank de termijn van negen weken handhaafde. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. De reeds verbeurde dwangsom werd vastgesteld op €1442. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en Rotterdam over soortgelijke zaken met medische beoordelingen en structurele artsentekorten. De rechtbank benadrukte het belang van tijdige besluitvorming in medische sociale zekerheidszaken.