In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het UWV op 30 oktober 2025 een besluit genomen waarin eiser niet in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. De rechtbank ontving het beroepschrift op 20 april 2026 en constateerde dat de beslistermijn was overschreden.
De rechtbank oordeelt dat het UWV, vanwege het structurele tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van een medisch advies, een bijzonder geval betreft zoals bedoeld in artikel 8:55d Awb. Daarom geldt een termijn van negen weken na verzending van deze uitspraak waarbinnen het UWV de medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere beslistermijn van 30 weken toe te passen, omdat dit niet voldoende is onderbouwd. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en Rotterdam over het tekort aan verzekeringsartsen en de gevolgen daarvan voor beslistermijnen.