ECLI:NL:RBDHA:2026:15566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 10 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een Guinese asielzoeker, beroep instelde tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is op Duitsland, wat inhoudt dat Nederland mag vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Duitsland. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd om aan te tonen dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook zijn betoog over het ontbreken van rechtsbijstand in Duitsland werd niet voldoende onderbouwd.

Verder oordeelde de rechtbank dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat Nederland de asielaanvraag zelf in behandeling neemt op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19257

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Guinese nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.19258. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
16 februari 2026 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. De rechtbank overweegt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM [5] en artikel 4 van Pro het Handvest [6] , waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [7] In de uitspraken van 4 september 2024 [8] heeft de Afdeling [9] geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [10] Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen in dat kader.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van opvang, zorg of rechtsbijstand een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Dat eiser in Duitsland een asielprocedure heeft doorlopen waarbij zijn asielaanvraag is afgewezen en hij daarom vreest te worden teruggestuurd naar Guinee, maakt dat oordeel niet anders. Het is in het algemeen zo dat een asielzoeker na een afwijzing van de asielaanvraag het desbetreffende land moet verlaten. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, dan kan hij in Duitsland opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. Verder heeft eiser zijn beroepsgrond dat Duitsland zich niet houdt aan de internationale verplichtingen niet met (algemene) landeninformatie onderbouwd. Eisers betoog dat hij in Duitsland geen advocaat toegewezen heeft gekregen, heeft hij niet verder toegelicht en geconcretiseerd. Daar komt bij dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat rechtsbijstand niet altijd en in alle gevallen kosteloos verstrekt hoeft te worden. [11] De Duitse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Mocht eiser toch problemen ervaren met de asielprocedure, opvangvoorzieningen en/of rechtsbijstand, dan ligt het op zijn weg om daarvoor de autoriteiten van Duitsland te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Duitse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid geen aanleiding voor een ander oordeel.
Refoulement
7. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [12] van
30 november 2023 [13] en de Afdeling van 12 juni 2024 [14] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.1. en 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
9.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraken van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 en
11.Zie artikel 20, eerste lid, van de Procedurerichtlijn.
12.Europese Hof van Justitie.
13.ECLI:EU:C:2023:934.