Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15708

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/2795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-herbeoordeling

Eiseres, Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., verzocht op 3 september 2024 om een herbeoordeling van het recht van een (ex-)werknemer op een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van negen weken een besluit genomen, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.

De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat ondanks een dwangsombeslissing van 26 januari 2026 geen besluit is genomen. De overschrijding wordt toegeschreven aan een structureel tekort aan verzekeringsartsen, wat als een bijzonder geval wordt aangemerkt volgens artikel 8:55d lid 3 Awb.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit is vastgesteld, tezamen negen weken na verzending van de uitspraak. Het UWV moet binnen deze termijn alsnog een besluit nemen. Voor elke dag overschrijding wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000.

Daarnaast wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed en wordt het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €140,10. De rechtbank behandelt deze zaak samen met meerdere samenhangende beroepen en acht het beroep van lichte aard.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2795

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V., uit Den Haag, eiseres
(gemachtigde: L. Badri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: G. Metz).

Inleiding

1. [naam] , (ex-)werknemer van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 3 september 2024 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek op 27 maart 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 28 november 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 26 januari 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een groot tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv verzoekt de rechtbank de termijn die de rechtbank Rotterdam stelt in haar uitspraken van 30 juli 2025 te overwegen. [4] Die rechtbank geeft het Uwv bij een beroep niet tijdig beslissen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen om alsnog een besluit bekend te maken, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift heeft ontvangen.
5.1.
Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent de werkdruk van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [5] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
6. Het Uwv laat weten momenteel geen termijn te kunnen geven voor het nemen van een beslissing op de aanvraag. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
7. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [6] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
8. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26/2748, SGR 26/2751, SGR 26/2758, SGR 26/2760 en SGR 26/2795. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [7] De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [8] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een vijfde deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 140,10 (1/5 x € 700,50).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 140,10 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
4.De uitspraken van de rechtbank Rotterdam 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224, ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
5.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 4.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 4.4.
6.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
7.Zie de bijlage van het Bpb, onderdeel C2.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.