Eiseres diende op 9 december 2025 een aanvraag in voor een WIA-uitkering bij het UWV. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke beslistermijn van negen weken had beslist, stelde eiseres het UWV in gebreke en stelde vervolgens beroep in op 23 april 2026 tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de oorzaak is van de vertraging. De rechtbank erkent dit als een bijzonder geval en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin een termijn van negen weken wordt gehanteerd voor het nemen van een besluit na medische beoordeling.
De rechtbank legt het UWV op binnen zes weken na verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts te verrichten en binnen drie weken daarna een besluit te nemen, met een maximum van negen weken. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. De reeds verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op €1.442. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.