Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“[eiseres] vordert (…) de HHS te veroordelen tot betaling van een bedrag (…) ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”De kern van het geschil tussen partijen is door de kantonrechter (in 4.2) genoemd:
“de discussie over het verschil in saldo van verlofuren van [eiseres] per einde dienstverband.”De kantonrechter heeft (in 4.3) overwogen dat:
“[u]it het overzicht van de HHS volgt dat [eiseres] per 27 januari 2020 (de datum waarop de loondoorbetalingsverplichting van de HHS stopte) een verlof saldo had van 539,32 uren.”Omdat [eiseres] geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat dit niet correct zou zijn, is de kantonrechter – zo heeft zij in 4.3 toegelicht – uitgegaan van de juistheid van dit verlofsaldo. Vervolgens heeft de kantonrechter beoordeeld of deze uren alle voor vergoeding in aanmerkingen komen en tegen welk uurloon. Dat heeft geleid tot de beslissing dat (in 5. onder 1.) de HHS is veroordeeld om aan [eiseres] te betalen
“een bedrag van € 7.063,21 bruto ter zake van de eindafrekening van vakantiedagen.”
einde dienstverbanden in de beslissing over een
eindafrekeningvan vakantiedagen. Dat bestrijkt de gehele periode dat het dienstverband heeft geduurd tot het einde per 1 juni 2023. Dat partijen er in die procedure vanuit zijn gegaan dat er geen verlof is opgebouwd na het verstrijken van de loondoorbetalingsperiode van 104 weken is daarbij niet van belang. Van belang is dat de verlofaanspraken voor de gehele periode tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2023 zijn vastgesteld in het vonnis van 19 december 2024.