ECLI:NL:RBDHA:2026:16975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17379
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 lid 1 sub b Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 20 lid 5 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 30 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Kroatië

Eiser, een Palestijnse asielzoeker, diende op 31 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac bleek dat hij eerder op 27 oktober 2025 een asielverzoek in Kroatië had ingediend. Nederland verzocht Kroatië om terugname, wat werd geaccepteerd. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag in Nederland niet in behandeling op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat Kroatië niet betrouwbaar is vanwege slechte opvang, mishandeling, pushbacks en gebrek aan rechtsbijstand, en verwees naar het AIDA-rapport 2024. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak die het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië handhaaft. Eiser slaagde er niet in concreet aan te tonen dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro.

Ook het beroep op onevenredige hardheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro werd verworpen, omdat de aangevoerde omstandigheden reeds in het kader van het vertrouwensbeginsel waren beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17379

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.17380) te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.17380), op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen: B. Zaghdoud. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser heeft de Palestijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 31 oktober 2025 ingediend.
1.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 27 oktober 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Op 18 december 2025 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening)
.Kroatië heeft dit verzoek op 30 december 2025 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Ter onderbouwing verwijst hij naar het AIDA-rapport, Update on 2024 van augustus 2025. Bij terugkeer vreest eiser voor een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van Pro het Handvest. In Kroatië zal eiser geen rechtsbijstand krijgen, de opvang is ver onder de maat en eiser heeft misschien geen toegang tot opvang. Vreemdelingen worden in Kroatië mishandeld, de autoriteiten behandelen vreemdelingen slecht en is er geen toegang tot medische zorg. Er vinden daarnaast pushbacks plaats. Eiser vreest in Kroatië in vreemdelingendetentie te belanden en over de grens te worden gezet. Eiser vindt dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Ook zou verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

Beoordeling van het beroep

Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3901), op 21 november 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5635) en op 26 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1667), geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Dublinclaimanten in Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
4.2.
Eiser heeft ter ondersteuning van zijn standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel verwezen naar het AIDA-rapport, Update on 2024. Ter zitting heeft eiser specifiek gewezen op pagina’s 128 t/m 135 van het AIDA-rapport. Dit ziet op de detentie en de mogelijkheid dat eiser in vreemdelingenbewaring zou kunnen belanden in Kroatië. De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 december 2025, (ECLI:NL:RVS:2025:5901), geoordeeld dat het AIDA-rapport, Update on 2024, van augustus 2025, geen wezenlijk ander beeld schetst dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. Dat Dublin-terugkeerders na overdracht aan Kroatië mogelijk in detentie worden geplaatst als de asielaanvraag al definitief is afgewezen, betekent niet dat sprake is van een systeemfout. Op grond van artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn is het immers, in de daar omschreven gevallen, toegestaan om een verzoeker om internationale bescherming in bewaring te stellen. Eiser heeft overigens ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Kroatië daadwerkelijk in detentie geplaatst zal worden. Uit het voorgaande volgt dat eiser niet aan de hand van objectieve landeninformatie concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt die erop wijzen dat Dublinclaimanten bij overdracht aan Kroatië vanwege de situatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige situatie terecht te komen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Eiser vreest dat hij in Kroatië geen opvang, rechtsbijstand of medische zorg zal krijgen. Verweerder heeft zich terecht op het strandpunt gesteld dat eiser zal terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met documenten of verklaringen aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant in Kroatië in een ondermaatse situatie zal terechtkomen of over de grens zal worden gezet. Er zijn (dus) geen concrete aanwijzingen dat eiser slachtoffer zal worden van pushbacks. Ook heeft eiser de vrees voor mishandeling of een slechte behandeling door de autoriteiten niet onderbouwd. Verder heeft Kroatië met het claimakkoord van 30 december 2025 gegarandeerd eisers (opvolgende) asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft Kroatië verlaten zonder te klagen bij de autoriteiten. Niet gebleken is dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, en 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653) volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. Wat eiser heeft aangevoerd, is al beoordeeld in het kader van de vraag naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.