ECLI:NL:RBDHA:2026:16985

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische loongerelateerde uitkeringszaak

Eiseres, Luba Uitzend Buro B.V., heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2025, waarin de loongerelateerde uitkering van een ex-werknemer per 6 oktober 2025 wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering.

De rechtbank ontving het beroepschrift op 12 mei 2026 en constateerde dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, had overschreden. Eiseres had het UWV tijdig in gebreke gesteld en er was geen besluit genomen binnen de wettelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat vanwege structurele tekorten aan verzekeringsartsen bij het UWV, een bijzondere beslistermijn van negen weken geldt: zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit. Het UWV kon niet aangeven wanneer de medische beoordeling zou plaatsvinden, waardoor de rechtbank het UWV opdroeg binnen negen weken na verzending van de uitspraak alsnog te beslissen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op, met een maximum van €15.000, voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten van €467 aan eiseres.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog te beslissen op bezwaar en een dwangsom wordt opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

Luba Uitzend Buro B.V., uit Leiden, eiseres

(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het niet op tijd beslissen van het Uwv op het bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2025 waarin het Uwv heeft bepaald dat de loongerelateerde uitkering van [(ex-)werknemer] , (ex-)werknemer van eiseres, per 6 oktober 2025 wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 12 mei 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 26 februari 2026 en het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.

De nadere beslistermijn

4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een beperkte capaciteit aan verzekeringsartsen.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. [4]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift dat momenteel niet kan worden ingeschat wanneer een besluit op bezwaar kan worden afgegeven. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
8. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [5] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3 en 5.4.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.