ECLI:NL:RBDHA:2026:17007

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-herbeoordeling

Eiseres Compaxo Holding B.V. heeft op 27 oktober 2025 een verzoek ingediend bij het UWV voor herbeoordeling van het recht van een ex-werknemer op een WIA-uitkering. De rechtbank ontving het beroepschrift wegens het uitblijven van een beslissing op 15 april 2026. Het UWV had de beslistermijn overschreden en ondanks ingebrekestelling geen besluit genomen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV in dit soort medische zaken met een tekort aan verzekeringsartsen een bijzonder geval betreft, waardoor een langere beslistermijn van negen weken na uitspraak gerechtvaardigd is. Dit is gebaseerd op eerdere jurisprudentie waarin een termijn van zes weken voor medische beoordeling en drie weken voor besluitvorming is vastgesteld.

Het UWV wordt opgedragen binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen. Voor elke dag overschrijding wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000. Daarnaast moet het UWV het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3257

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

Compaxo Holding B.V., uit Gouda, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. R. van Rooijen - van Os).

Inleiding

1. [naam], (ex-)werknemer van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 27 oktober 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift van eiseres wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek op 15 april 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 26 februari 2026 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 24 april 2026 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een bestuurlijke dwangsom van € 1.442,- is toegekend.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen negen weken na de uitspraak een besluit bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een groot tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv verzoekt de rechtbank om de beslistermijn die de rechtbank Rotterdam in haar uitspraken van 30 juli 2025 heeft gehanteerd, in overweging te nemen. [4] In deze uitspraken is overwogen dat, gelet op het structurele tekort aan verzekeringsartsen, er sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank Rotterdam heeft in die zaken geoordeeld dat het Uwv in dit soort gevallen alsnog een besluit bekend dient te maken binnen een termijn van 40 weken voor werkgeversberoepen, te rekenen vanaf de datum waarop het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen door de rechtbank is ontvangen.
5.1.
De rechtbank overweegt dat het Uwv niet nader heeft onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent het artsentekort van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [5] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
5.2.
Blijkens het verweerschrift is onbekend binnen welke termijn een besluit op de aanvraag van eiseres zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. [6]
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26/3257 en SGR 26/3258. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [7] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.De uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
5.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
6.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.